Artis was er aanvankelijk alleen voor de elite

Artis is weer open, al zijn de binnenverblijven en het Planetarium voorlopig dicht. Artis wordt in 1838 opgericht, kent relatief veel monumentale gebouwtjes en is een dierentuin voor iedereen. Dat was in het begin wel anders.

In de negentiende eeuw wordt Artis vooral door de elite bezocht. Het volk mag in september voor één kwartje naar binnen. Een Deense schrijver, die Nederland in het voorjaar van 1877 bezoekt, valt het op dat ‘de volksklassen’, waarmee hij zowel de ‘mindere’ als de ‘hoogere’ klassen bedoelt, zich weliswaar niet mengen zoals hij dat in de dierentuin van Kopenhagen is gewend, maar dat Artis wel één keer in het jaar voor de mindere standen toegankelijk is, opdat zij zich ‘met tact en fatsoen leren bewegen.’ Gelukkig gedraagt het ‘minder publiek’ te Amsterdam, voor zover onze Deen dat kan beoordelen, zich in het algemeen ‘zeer fatsoenlijk.’

Het hoofdgebouw van Artis aan de Plantage Middenlaan, ca. 1850-1860. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Aquarium

In december 1882 wordt het Aquarium geopend, één van de fraaiste gebouwen van Artis. Dat vindt de verslaggever van het Algemeen Handelsblad ook. Hij is erg onder de indruk van de hoofdingang in Griekse stijl en de grote brede marmeren trap, maar het zijn toch vooral de ‘visschen’ die de bezoekers achter hun spiegelruiten ‘een welkom schijnen toe te roepen.’ De verslaggever rept van ‘wanden van water’ die hem doen denken aan ‘een wandeling over den bodem der zee.’ Maar het wordt nog véél mooier. Hij vindt het zó gezellig hoe die vissen ‘zonder schroom op u afzwemmen, alsof ze u onder hun familie rekenen.’

De man is erg onder de indruk van de bassins met rotsen, spleten en spelonken, waar de vissen verstoppertje kunnen spelen. Vermoedelijk is hij als kind vaak gepest, want hij maakt een vergelijking met de grote mensenwereld, waar ‘de kleineren wel eens te lijden hebben van de slechte luimen hunner grootere en sterkere broeders.’ En verder gaat het verslag, over zeekreeften met keiharde schalen die zich ‘zonder zich te verontschuldigen’ over hun soortgenoten heenbuitelen en ook nog eens, tot drie keer toe, met elkaar op de vuist gaan.

Het slangen- en amfibieënhuis in Artis, ca. 1835-1856. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Valse snor

En oh ja, als je een valse snor draagt, kun je maar beter niet naar Artis gaan. Het Algemeen Handelsblad doet in 1895 bijna gnuivend verslag van een vreemdelingen-echtpaar (tegenwoordig zouden we zulke mensen toeristen noemen) dat een bezoek brengt aan de Amsterdamse dierentuin. De man draagt een mooie lange en goedverzorgde snor. Samen met zijn vrouw staat hij voor de apenkooi, om de apen beschuitjes te voeren. De oppasser waarschuwt het echtpaar nog dat die héle grote aap niet te vertrouwen is, dus dat ze zich beter niet te dicht bij het hek kunnen wagen. De man met de mooie snor vindt dat maar onzin, want de aap in kwestie zit heel stil boven in het hok ‘met een gezicht zoo onnoozel, alsof hij de onschuld in persoon ware.’ Maar dat zijn natuurlijk de ergsten, want als een bliksemstraal sprint de aap omlaag, rukte de man zijn valse snor af en gaat er mee vandoor. De heer slaakt een kreet van ontzetting en zijn eega valt flauw, waarna er een homerisch gelach uit het publiek opstijgt. De oppasser, die met moeite zijn lachen kan bedwingen, biedt nog aan de snor terug te halen, maar snorremans is dan al lang verdwenen.

De grote volière in Artis, ca. 1868-1869. Tekening door Willem Hekking jr. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Dienstboden

Dat Artis het aantal bezoekers bijhoudt, zal geen bevreemding wekken, maar de categorieën waarin de bezoekersaantallen wordt uitgesplitst zeggen veel over de negentiende-eeuwse maatschappij. In 1883 bezoeken niet alleen 83529 vreemdelingen de dierentuin, maar ook 130 landverhuizers, 5600 wezen en verpleegden en  49155 dienstbaren. Er is een speciale ingang voor dienstboden, die in september van hun mevrouw een vrije dag krijgen om ook eens naar de apies te kunnen kijken. Om wat te knabbelen te hebben, nemen ze een karbies met noten, fruit, een paar harde eieren en een enveloppe met zout mee.

Een verslaggever van De Tijd beschrijft hoe een slimme dienstbode haar mevrouw goedkoop naar binnen probeert te smokkelen. ‘Mevrouw, u volgt mij maar, dat scheelt u een kwartje per persoon.’ Zelf gaat ze alvast met het jongste kind door de bediendeningang. Bang dat haar werkgeefster toch de verkeerde afslag neemt, roept ze in haar onschuld: ‘Hier, mevrouw, hierzoo!’ Tja, en toen moest de portier natuurlijk wél ingrijpen. ‘Pardon, mevrouw, dit is alleen voor dienstboden; u moet aan den anderen ingang wezen.’

Naast dienstboden wordt Artis door fabrieksarbeiders bezocht. In september 1895 mogen de 1400 werknemers van een Leidse katoenfabriek naar Artis. De chef van de fabriek is in het huwelijksbootje gestapt en om dat te vieren, biedt hij zijn mensen dit uitstapje aan. Om wat ‘kleine uitgaven’ te kunnen doen, stelt hij elke werknemer ‘één gulden ter hand.’ Daar kon je toen best wat kleine uitgaven van doen.

Prentbriefkaart met de ingang van Artis aan de Plantage Kerklaan, 1918. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Een ontsnapte aap

Gelukkig ontsnapt er af en toe een dier uit Artis, vooropgesteld dat het een leuk dier is en geen wurgslang. Tijdens een koninklijk bezoek in april 1893 gaat een aap uit wandelen. Opgejaagd door de vele nieuwsgierigen die op het Koninklijke bezoek zijn afgekomen, kruipt het dier in een boom aan de Plantage Kerklaan, vanwaar hij ‘met philosophische kalmte’ naar het verzamelde volk kijkt. Hij kan maar kort van zijn vrijheid genieten, want de oppassers zijn snel ter plekke, spannen een net onder de boom en schudden er aan als ware het een appelboom. Dat wordt de aap wat te gortig, waarna zijn vaste oppasser hem onder de arm kan nemen en met hem terug naar het apenverblijf kuiert.

Op een mooie zomeravond in augustus 1856, als honderden bezoekers door Artis kuieren, verspreidt zich eensklaps het gerucht dat één van de wilde dieren uit zijn hok is losgebroken. Iedereen slaat op de vlucht en vreest voor een woedende leeuw of tijger. Het blijkt echter om een grote zwarte beer te gaan, die niks kwaads in de zin heeft. In plaats van de bezoekers de stuipen op het lijf te jagen, duikt hij de gracht in om vervolgens langs de muren van het Entrepotdok een wandelingetje te maken. Een jongen ziet de beer traag schommelend op zich afkomen en zet het op een lopen. De beer gaat hem achterna, waarop de knaap in de ketting van de wipbrug klimt. De beer gelooft het verder wel, duikt het water weer in en zwemt terug naar de overkant, waar Artisknechten hem met bijlen en stokken opwachten, en vervolgens doden. Later blijkt dat verscheidene bezoekers het dier vermoedelijk hebben gesard, zodat hij uit woede de tralies van zijn hok heeft losgetrokken. Al met al een tragisch incident.

De rotonde of het verblijf der apen in Artis, 1863. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Sultan van Siak

Artis krijgt veel dieren aangeboden. In oktober 1895 schenkt de Sultan van Siak Artis een kleine Sumatraanse olifant. Het dier is inderdaad klein, want maar 1.20 meter hoog als hij op stoomschip Voorwaarts stapt om naar Nederland te varen. Gelukkig gaat hij ‘in uitstekende toestand’ van boord.

Elke aanwinst is sowieso nieuws. In september 1897 wordt halsreikend uitgekeken naar drie jonge ijsberen, want Artis zit al een tijdje zonder. Niet dat iedereen weet hoe een ijsbeer er uit ziet, want menigeen ziet de witte kraagbeer voor een ijsbeer aan. Het wordt dus hoog tijd dat we die levende bontjassen weer eens in het echt kunnen zien. Het transport van het hoge Noorden naar Amsterdam zit ze overigens niet mee, want het schip wordt tijdens de overtocht geteisterd door storm en tegenwind. Maar over het eten aan boord zullen ze wel niet veel te klagen hebben gehad, want elke dag krijgen ze zeehondenspek en gedroogde vis te eten. Zo’n rijk menu staat hen in Artis niet te wachten, zo meldt de verslaggever van De Telegraaf, maar daar staat dan weer wel een fraai verblijf tegenover, met rotsen en een mooie waterval.

Jonge olifant met oppasser in Artis, ca. 1896-1900. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Nijlpaardjes

In september 1898 beschrijft een verslaggever van Het Vaderland wat de twee jonge nijlpaardjes, die dan net een paar maanden in Artis wonen, zoal te eten en te drinken krijgen. Ze beginnen aanvankelijk met elke dag twintig liter melk, maar inmiddels zijn ze op wat vaster voedsel overgestapt: fijn gesneden wortelen, zemelen en riet. Geen slecht ontbijt, althans voor een nijlpaard.

Vervolgens vraagt de verslaggever aandacht voor een chimpansee, die zich in een kooi tussen de twee vogelzalen bevindt. Allerlei grimassen trekkend, springt hij vrolijk heen en weer. De chimp komt van de westkust van Afrika, waar hij al zeven jaar in een kooi heeft doorgebracht. Blijkbaar heeft hij zich in die tijd veel menselijke gewoonten eigen gemaakt, want uitgebreid somt de verslaggever op wat hij elke dag naar binnen werkt. De dag begint met thee met suiker en beschuitjes. Gelukkig volgt er om half elf rijst met vis, om 12 uur krijgt hij groente, aardappelen en vruchten, om drie uur gevolgd door een geklutst ei met – daar gaan we weer – suiker, om vier uur mag de chimpansee zich weer aan vruchten tegoed doen, om vijf uur krijgt hij brood en koekjes en om 6 uur is het borreltijd, want dan krijgt hij een flesje bier of een glas wijn aangereikt. Gelukkig zijn de poorten van de dierentuin dan al gesloten.

Prentbriefkaart met nijlpaard Betsy in Artis, ca. 1907. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Tekst: Arnoud van Soest

Omslagfoto: Louis-Charles Bombled, Artisbezoek, 1882. Collectie Amsterdam Museum.

Publicatiedatum: 27/05/2020