We gaan naar Zandvoort!

“En thans naar zee! De spoorweg is geopend.” In 1881 kreeg Amsterdam een spoorverbinding met Zandvoort. Het vroegere vissersdorp werd echter niet direct druk bezocht. Lange tijd bleef het een luxe badplaats waar Duitse vorstenfamilies graag geziene gasten waren. Pas jaren later zou de Blauwe Tram Zandvoort bereikbaar maken voor de gewone stedeling. Met het decente baden vanuit ‘badkoetsen’ was het toen snel gedaan.

Book 3 min

Op 2 juni 1881 vertrok een feestelijk versierde trein vanaf het Amsterdamse Station-Westerdok (aan het Centraal Station werd nog gebouwd) met genodigden die zowel “door hunne maatschappelijke positie als door hunne betrekkingen tot de ondernemers geroepen waren deze plechtigheid bij te wonen”, zoals het Algemeen Handelsblad de volgende dag meldde in een uitvoerige reportage die we hier zullen volgen.

Volkslied

Na een tochtje met “de heerlijkste, schilderachtigste vergezichten zag men over de als in een mythisch waas verscholen gelegen duinen, de torens en tinnen verrijzen van het nieuwe Zandvoort. Links liet de trein het dorp liggen, met een zwenking rechts bereikte men de onmiddellijke nabijheid van het strand, de trap die naar de Passage leidt. Was overal op den weg door de bevolking sympathie betuigd met het nieuwe gemeenschapsmiddel, door vlaggen, versieringen, menschenmassa’s aan de stations, te Zandvoort was een groot gedeelte der bevolking aan het station vereenigd. De Zandvoorter Kurkapel hief het volkslied aan; de burgemeester en de gemeenteraad stonden op het perron.”

Affiche ter promotie van de spoorwegverbinding Amsterdam-Zandvoort.

Affiche ter promotie van de spoorwegverbinding Amsterdam-Zandvoort.

IJzeren banden

Met de muziek voorop wandelden de genodigden door de Passage naar het Kurhaus, een met vier torens opgetuigd gebouw met aan weerszijden halfronde vleugels met gastenkamers. In de grote eetzaal, die ook geschikt was voor concerten, werd vervolgens voor de 250 gasten een feestdis aangericht. “De verwachting dat zulke ondernemers model-gastheeren zouden blijken te zijn, werd niet beschaamd.”

Heildronk

De ene toost na de andere werd uitgebracht. Burgemeester Van Tienhoven sprak bij zijn heildronk de hoop uit “dat de ijzeren banden die Amsterdam nu met Zandvoort verbinden, geene kluisters zullen zijn maar juist de gelegenheid geven tot vrij uitslaande vleugels. Aan dit heerlijke strand zal men levenskracht, levensmoed, levenslust kunnen inademen, om even krachtig en energiek als de ondernemers die deze werken tot stand hebben gebracht te streven naar vooruitgang en ontwikkeling.”

Badvrouwen

Ook de hoofdredacteur van het Handelsblad, Charles Boissevain, bracht een dronk uit met de woorden: “Aan de zee!” Hij was stamgast van het Groot-Badhuis en zou dat hotel trouw blijven, altijd bereid jubilea van ‘badvrouwen’ met gloedvolle woorden luister bij te zetten. Zo zou hij Dirkje Koning in 1901 bij haar vijftigjarig jubileum uitroepen tot koningin van het strand.

De Blauwe Tram in het duingebied.

De Blauwe Tram in het duingebied. Beeld: collectie Noord-Hollands Archief

Dagjesmensen

Zandvoort ontwikkelde zich tot een geliefd kuuroord voor met name Duitse vorsten. In dat elitaire karakter kwam verandering toen de badplaats een tramverbinding met Amsterdam kreeg, die veel goedkoper was dan de trein. Dagjesmensen uit de stad begonnen de elitaire en preutse badgasten te verdringen. Vanaf het seizoen 1905 was er een directe tramlijn tussen Amsterdam en Zandvoort, met als opstapplaats het Spui (later Spuistraat). Vanaf 1924 reden op die lijn onder meer zware tramstellen uit Boedapest die sterk tot de verbeelding spraken.

Haarlemmers en Boedapesters

Lex Lammen, die in de jaren vijftig op de Admiraal de Ruijterweg woonde, vertelt in de boekjesreeks ‘Bibliotheek van Amsterdamse herinneringen’ hoe de verschillende typen tramstellen met allemaal hun eigenaardigheden altijd “door de decors van mijn jongensjaren rijden”. De grote ‘Haarlemmers’ raasden langs bijna alle haltes en reden in minder dan een uur van het Spui naar de Haltestraat in Zandvoort. Maar de mooiste van allemaal was de Boedapester. “De patrijspoorten in het verlaagde middendeel waar je instapte, bezorgden je al het gevoel van een avontuurlijke reis. En lukte het een zitplaats te vinden in de dikke kussens tegen de donkerhouten lambrisering, dan was het traject altijd te kort.”

Bron

Het gelijknamige artikel van Marius van Melle, gepubliceerd in juli/augustus 2006 in ‘Ons Amsterdam’. Klik hier voor het volledige artikel.

Publicatiedatum: 25/05/2011

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

NL | EN