De oudste delen van de collectie stammen uit de zestiende eeuw. In 1538 maakte Cornelis Anthoniszoon het schilderij ‘Gezicht in vogelvlucht op Amsterdam.’ Het schilderij kon gered worden toen het eerste stadhuis op 7 juli 1652 afbrandde. Het is nog steeds één van de topstukken van het museum, net als het houten model van het stadhuis dat voor het afgebrande stadhuis in de plaats kwam.
Toen het stadhuis in 1808 een koninklijk paleis werd, bleef de kunstcollectie eigendom van de stad. De collectie werd overgebracht naar het stadhuis aan het Prinsenhof op de Oudezijds Voorburgwal. Daar kwamen ook de schilderijen te hangen waarop schutters van de drie Amsterdamse gilden waren afgebeeld, waarvan de Nachtwacht van Rembrandt van Rijn het meest beroemde schuttersstuk was.

Gezicht op Amsterdam in vogelvlucht, 1538. Schilder: Cornelis Anthonisz. (1500 – 1553). Collectie Amsterdam Museum, inv.nr. SA 3009.
Rariteitenkabinet
De collectie werd in de negentiende eeuw verrijkt toen rijke Amsterdammers hun collecties schilderijen aan de stad schonken, vertelt Judith van Gent, die verantwoordelijk is voor het Collectiecentrum in Amsterdam-Noord. “Adriaan van der Hoop begon daar in 1854 mee. Hij had écht een fantastische schilderijencollectie, zoals de Brief lezende Vrouw van Johannes Vermeer en het Joodse bruidje van Rembrandt. Die verzameling is één van de pijlers van de collectie geworden.”
De schilderijen van Van der Hoop waren aanvankelijk op verschillende plekken in de stad te zien, maar uiteindelijk kregen ze in 1885 een vaste plek in het toen net geopende Rijksmuseum. De Nachtwacht kwam er te hangen, als langdurige bruikleen van de stad Amsterdam, evenals het door de stad aangekochte schilderij ‘De anatomische les van Dr. Joan Deijman’, dat Rembrandt in 1657 had geschilderd in opdracht van het Amsterdamse chirurgijnsgilde.

Model van het ‘nieuwe’ stadhuis op de Dam uit 1648. Dit model is tijdens de bouw gebruikt als hulpmiddel voor de timmerlui. Het stadhuis werd in 1655 ingewijd. Collectie Amsterdam Museum, inv.nr. KA 12023.1/7.
Museum Fodor
Van der Hoop was overigens niet de enige Amsterdammer die zijn kunstbezit aan de stad vermaakte. Al eerder, in 1861, had Carel Joseph Fodor zijn bijzondere collectie tekeningen, waaronder een tekening van Leonardo da Vinci, aan de stad geschonken, op voorwaarde dat zijn huis een museum zou worden. Het aanvankelijk naar hem genoemde Fodor Museum opende in 1863 de deuren en is nu het onderkomen van fotografiemuseum Foam.
Ook Sophia Lopez Suasso-de Bruijn schonk een grote collectie kunst aan de stad, eveneens op voorwaarde dat haar huis een museum zou worden. Dat ging echter niet door, want haar huis verkeerde in zo’n slechte staat, dat de gemeente aan de Paulus Potterstraat een nieuw gebouw liet neerzetten, dat het Stedelijk Museum werd. De familie Van Eeghen, één Amsterdamse familie die veel voor de stad heeft betekend en veel kunstwerken heeft nagelaten aan het Amsterdam Museum, leverde er ook een financiële bijdrage aan.

De Nachtwacht, misschien wel het beroemdste schilderij dat in het Rijksmuseum hangt, is door de stad Amsterdam in een langdurige bruikleen aan het Rijksmuseum gegeven. Rembrandt van Rijn schilderde het in 1642. Collectie Rijksmuseum Amsterdam, objectnummer SK-C-5.
Stedelijk Museum
Nu is het Stedelijk een moderne kunstmuseum, maar begin 1900 kon je daar stijlkamers zien die waren ingericht met interieurs uit de nalatenschap van Lopez Suasso-de Bruijn. Die interieurs waren samengesteld uit onderdelen van Amsterdamse huizen die rond 1895 waren gesloopt, onder andere voor de aanleg van de Raadhuisstraat.
Het huis van Louisa Willet-Holthuysen verkeerde in betere staat dan dat van Sophia Lopez. Zij liet haar huis ook aan de stad na, die er op haar verzoek een museum van maakte, Museum Willet-Holthuysen, dat nog steeds door het Amsterdam Museum wordt beheerd.
En daarmee hebben we overigens lang niet alle schenkingen uit de negentiende eeuw gehad. In 1864 kocht een groep kunstliefhebbers, geneeskundigen en kunstenaars van een particulier portretten van het chirurgijnsgilde, die ze vervolgens aan de stad schonken. En in 1897 dreigde een reeks historische voorstellingen, die waren gemaakt in opdracht van kunstverzamelaar Jacob de Vos, na zijn overlijden naar het buitenland te verdwijnen. Daniel Franken en Pieter Langerhuizen kochten de collectie om die vervolgens aan de gemeente over te dragen.
Ook in de twintigste eeuw werd het museum nog met schenkingen verblijd. In 1960 werd er nog een stichting opgericht, de Stichting Genootschap Amsterdam Museum, die een omvangrijk deel van de verzameling van de Amsterdamse verzamelaar Willem Dreesmann verwierf en in bruikleen aan het Amsterdam Museum gaf. Al met al bestaat de collectie van het Amsterdam Museum inmiddels voor de helft uit schenkingen.

Deze tekening van C.F. Georges Dell’Acqua uit 1853, getiteld ‘Ellende en aanmatiging’, maakte deel uit van de collectie van Carel Joseph Fodor. Hij schonk de collectie aan de stad Amsterdam en is nu onderdeel van de collectie van het Amsterdam Museum. Collectie Amsterdam Museum, inv.nr. TA 10392.
Burgerweeshuis
Plannen om een apart museum aan de geschiedenis van Amsterdam te wijden, waren er al langer, maar kregen een nieuwe impuls toen in 1925 een grote tentoonstelling plaatsvond in het kader van het 650-jarig bestaan van de stad. Op 2 november 1826 werd in De Waag het Amsterdams Historisch Museum geopend.
In 1975 verhuisde het museum naar het voormalige Burgerweeshuis aan de Kalverstraat, omdat De Waag te klein was geworden. Het Rijksmuseum, dat met de Nachtwacht een publiekstrekker van jewelste in huis had gehaald, was niet te beroerd om zo’n vijftig schilderijen in bruikleen aan het museum af te staan, terwijl de Diaconie der Hervormde Gemeente en de Stichting Begijnhof religieuze voorwerpen aan het museum afstonden.

In 2021 trok het Amsterdam in het voormalige Burgerweeshuis. Foto: Amsterdam Museum, 1962.
Verbreding collectie
De collectie is in de loop der tijd overigens wel van karakter veranderd. Vanaf de jaren zeventig van de vorige eeuw hebben conservatoren naar voorwerpen gezocht die een belangrijke rol spelen in het leven van Amsterdammers. En dan niet alleen voorwerpen van welvarende luitjes uit de grachtengordel, maar ook die van gewone of ‘uiteenlopende’ Amsterdammers. Van Gent: “We hebben bijvoorbeeld voorwerpen van een mevrouw die in een tandartsenpraktijk in Oost werkte. Uiteindelijk is ze door Duitsers opgehaald en in een concentratiekamp vermoord. Haar verhalen, en de spullen waarmee ze heeft gewerkt, zitten nu in onze collectie.”
En zo heeft ze nog meer voorbeelden. “Op 30 april 2004 is een collega van mij op Koninginnedag naar het Vondelpark gegaan, want hij wilde heel graag het verhaal van de kindervrijmarkt vertellen. Hij was er die dag al om negen uur en heeft meteen een kleedje van een meisje gekocht, met alle spulletjes die er op lagen, plus de oranje kroon die ze droeg.”

Sinds 1970 vinden in Amsterdam vrijmarkten plaats. De vrijmarkt in het Vondelpark richt zich vooral op kinderen die wat bij kunnen verdienen door muziek te maken of spulletjes te verkopen. Eva Schoonings, die in 2004 zes jaar is, is daar één van. Het museum kocht haar kleedje met de daarop uitgestalde spulletjes om een typisch Amsterdams fenomeen vast te kunnen leggen. Collectie Amsterdam Museum, inv.nr. KA 21901.1/47.
Een nieuw depot
Dat er uiteindelijk een nieuw collectiedepot in Amsterdam-Noord is gebouwd, komt omdat de manier waarop de collectie tot dan toe werd bewaard verre van optimaal was. Van Gent: “Onze depots waren altijd in het museumgebouw ondergebracht, onder de grond en op zolder. Daarnaast hadden we nog depots bij de Markthallen in West en zelfs nog in de kop van Noord-Holland. De collectie was dus over verschillende plekken verspreid en ze hadden geen goede klimaatbeheersing. Dat is wel nodig, want we hebben immers de opdracht om de collectie ‘voor de eeuwigheid’ te bewaren, of in ieder geval in optimale conditie te houden.”
Het is vooral aan Paulien Kruseman te danken, die in 1991 directeur van het museum werd, dat er uiteindelijk één groot nieuw depot in Amsterdam-Noord is gekomen. “Zij heeft altijd voor een nieuw depot gestreden en toen ze met pensioen ging, had ze een architect en een plek gevonden; eigenlijk hoefde het depot alleen nog maar gebouwd te worden.”

Collectiecentrum van het Amsterdam Museum in Amsterdam-Noord, maart 2011. Foto: René Gerritsen.
90.000 objecten
Twee jaar na haar pensioen, op 27 oktober 2011, kon het door architect Wim Quist ontworpen depot in Noord worden geopend. Het gebouw, dat ruimte biedt aan 90.000 objecten, restauratieateliers en studieruimten, bestaat uit drie verdiepingen, met op elke verdieping twee depots.
“In totaal hebben we zes depots, voor papier, textiel, schilderijen en ga zo maar. Elke ruimte heeft een eigen klimaatbeheersing. Vier jaar voordat we over gingen zijn we al met de voorbereidingen begonnen, waarbij veel voorwerpen opnieuw zijn ingepakt. Aangezien het textieldepot nogal klein was zat het textiel héél strak op elkaar in dozen. Dat is natuurlijk niet goed voor de stoffen. We zijn dus een jaar met vrijwilligers bezig geweest om dat beter in te pakken. Ook de papieren voorwerpen zijn opnieuw in passe partouts gezet en nu ligt en hangt het er allemaal weer fantastisch mooi bij. Oh ja, en alle voorwerpen hebben een barcode gekregen, waardoor we precies weten waar je alles kunt vinden.” Sinds 2010 is de volledige collectie bovendien online toegankelijk.

Judith van Gent is hoofd collecties en onderzoek van het Amsterdam Museum. Foto: Amsterdam Museum.
(Dit artikel is gebaseerd op een interview met Judith van Gent, aangevuld met informatie uit een artikel dat ze voor het blad Amstelodamum heeft geschreven).
Auteur: Arnoud van Soest
In 2022 vertrok het Amsterdam Museum uit een pand aan de Kalverstraat dat vier eeuwen lang als burgerweeshuis had gediend. Dat het vijf jaar heeft geduurd voordat de verbouwing kon beginnen, komt omdat erfgoedverenigingen naar de rechter stapten omdat ze de verbouwingsplannen te ingrijpend vonden. In oktober 2024 gaf de Raad van State het groene licht voor de renovatie. Op 3 september 2026 kon de verbouwing van start gaan die het museum duurzamer en toegankelijker moet maken, maar ook voor meer ruimte moet zorgen. Als alles goed gaat kan het museum in 2030 de deuren weer openen.
Publicatiedatum: 21/09/2026
Vul deze informatie aan of geef een reactie.