Landmeters Gouden Eeuw in het zonnetje gezet

In kasteel Marquette in Heemskerk hangen twee pronkkaarten tegenover elkaar. De ene kaart uit 1647 stelt het Rijnland voor, een gebied dat globaal tussen Den Haag, IJmuiden, Amsterdam en Gouda ligt. De andere kaart, uit 1680, toont de regio ten noorden van het IJ, het zogenaamde Noorderkwartier. Beide kaarten zijn door Johannes Dou gemaakt. Hij en zijn familie leverden de beste landmeters van de Gouden Eeuw.

Kasteel Maquette met de kaarten aan de muur

Beeld: Kees de Gooijer

Kasteel Maquette met de kaarten aan de muurKasteel Maquette met de kaarten aan de muur

Het zijn zulke nauwkeurige kaarten, dat ze eeuwenlang zijn gebruikt. Voor het hoogheemraadschap van Rijnland en de Vrienden van de Hondsbossche, die zich voor de Noord-Hollandse waterstaatsgeschiedenis interesseren, was dat aanleiding om zich te verdiepen in de familie Dou, die drie van de beste landmeters voortbracht: Jan Pietersz., zijn zoon Johannes en zijn kleinzoon, Johannes Dou Jr. Ze waren tussen 1600 en 1680 actief.Het resultaat is een rijk geïllustreerd boek, waar behalve samenstellers Diederik Aten en Paul Schevenhoven nog vier auteurs aan meewerkten. Aten werkt voor hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, Schevenhoven maakt voor het hoogheemraadschap van Rijnland archieven toegankelijk.

Gravure van Jan Pieterszoon Dou door Reinier van Persijn

Beeld: Remonstrantse prenten UvA via Wikimedia Commons

Gravure van Jan Pieterszoon Dou door Reinier van PersijnGravure van Jan Pieterszoon Dou door Reinier van Persijn

Hollandse cirkel

Vooral Jan Pietersz. Dou en zijn zoon Johannes waren in de zeventiende eeuw veelgevraagde landmeters. Jan Pietersz. maakte leerboekjes, waarmee hij de vakkennis van landmeters een enorme push gaf. Bovendien ontwikkelde hij een nieuw landmeetinstrument, de Hollandse cirkel, dat tweehonderd jaar is meegegaan.Zijn zoon Johannes gebruikte dat gereedschap om er prachtige en vooral exacte overzichtskaarten mee te maken. Zo tekende hij een kaart voor West-Friesland, die nog steeds wordt gebruikt door de Archeologische Dienst in Hoorn. Diederik Aten: “Zij gebruiken zijn kaarten als ze gaan graven. Volgens hen zit Johannes Dou er zelden meer dan vijf meter naast. Zeker voor die tijd, rond 1650, was dat technisch zeer geavanceerd.”Johannes Dou werd dan ook vaak ingeschakeld voor gevoelige klussen, klussen waar grote financiële belangen mee waren gediend. Aten: “Vandaar dat ze in West-Friesland een landmeter uit Leiden lieten komen, want Dou was een ongelooflijke perfectionist, die geen enkel concessie aan de kwaliteit van zijn werk wilde doen. Zijn kaarten zijn ook heel gedetailleerd; buiten de bebouwde kom staat zo’n beetje elke boerderij er op.”

Kaart Wijde Wormer. De kaarten gaven niet alleen informatie over het werkgebied van het hoogheemraadschap, ze werden ook fraai versierd

Beeld: Noord-Hollands Archief

Kaart Wijde Wormer. De kaarten gaven niet alleen informatie over het werkgebied van het hoogheemraadschap, ze werden ook fraai versierdKaart Wijde Wormer. De kaarten gaven niet alleen informatie over het werkgebied van het hoogheemraadschap, ze werden ook fraai versierd

“De landmeterij komt voort uit de behoefte om precies vast te leggen hoeveel land iemand bezit,” zegt Schevenhoven, “om zo de kosten die het hoogheemraadschap moest maken op een eerlijke manier over de ingezetenen om te kunnen slaan.”Het opmeten van land én het vastleggen op kaarten waren tijdrovende klussen. Voor de kaart van Rijnland was Johannes Dou meer dan acht jaar in touw, aan de kaart van de regio ten noorden van het IJ werkte hij bijna twintig jaar. Aten: “Met de kaarten kregen de hoogheemraadschappen niet alleen een overzicht van hun werkgebied, maar ze dienden ook als statussymbool. Vandaar dat er ook familiewapens in zijn verwerkt.” Schevenhoven knikt: “Macht mocht gezien worden, dat zag je ook aan de stadhuizen. Daar hingen vaak kunstwerken aan de muur en ook zo’n mooie kaart hoorde bij.”Om kaarten te maken, trok Johannes Dou de streek in om in elke dorp van betekenis met deskundigen te praten. Aten: “Als hij zo’n kaart klaar had, moest hij natuurlijk de juiste namen van sloten en boerderijen weten. Voor de kaart van de regio ten noorden van het IJ trokken de vertegenwoordigers van 39 dorpen naar Alkmaar om alles nog eens goed te controleren, en te kijken of die molen wel op de juiste plek stond. Alles werd zorgvuldig gecontroleerd. In Rijnland deed hij precies hetzelfde.”Dou’s kaarten zijn in de loop der eeuwen een paar keer bijgewerkt, maar nog steeds goed bruikbaar. Dit wordt bewezen door het feit dat zijn kaarten van het Noorderkwartier en van West-Friesland zijn opgenomen in het Geografisch Informatie Systeem, dat het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier gebruikt. Aten: “Daarvoor zijn vaste punten op Dou’s kaarten, zoals de kerken van de dorpen, gekoppeld aan de huidige kaarten, die natuurlijk veel exacter zijn. Dou’s kaarten fungeren dus als moederkaarten. We gaan die kaarten op onze website zetten, zodat je kunt zien hoe het er in 1680 uit zag. Zeker als je ergens gaat graven, moet je archeologisch onderzoek doen. En daar komen die oude kaarten goed bij van pas.”

Kaart van de Beemster door Cort,1607

Beeld: Regionaal Archief Alkmaar

Kaart van de Beemster door Cort,1607Kaart van de Beemster door Cort,1607

Met kettingen het ijs op

Het boek over de familie Dou besteedt ook een hoofdstuk aan het droogmaken van de grote Noord-Hollandse binnenmeren, zoals de Beemster. Daartoe werd in 1607 de Beemstercompagnie opgericht, die grotendeels uit kooplieden, regenten en hoge ambtenaren uit Amsterdam bestond. Het droogleggen van meren om land te winnen was met name begin zeventiende eeuw interessant, omdat de grondprijs omhoog vloog. Diederik Aten: “Het droogmaken van meren leverde land op voor landbouw, waarvoor je een flinke pacht aan de boeren kon vragen, aangezien de prijzen van boter, kaas en vee stevig waren gestegen.”Het water van de Beemster moest echter eerst in kaart worden gebracht en om dat nauwkeurig te kunnen doen, werd dat meestal in de winter gedaan, als het water was bevroren. Voor dat opmeten werden meetkettingen gebruikt, waarvoor kettingdragers werden ingehuurd. Op 3 januari 1611 ging een team van landmeters voor het eerst het ijs op, waaronder Jan Pietersz. Dou. “Dat moet een verschrikkelijk koude klus zijn geweest,”vermoedt Schevenhoven, “want toen had je nog échte winters.”

Kaart Beemster door Dou c.s. met zijn typerende strakke rechthoeken

Beeld: Rijksmuseum Amsterdam

Kaart Beemster door Dou c.s. met zijn typerende strakke rechthoekenKaart Beemster door Dou c.s. met zijn typerende strakke rechthoeken

Schepradmolens

Als het ijs weer was gesmolten, werden zogenaamde schepradmolens ingezet om het meer leeg te scheppen. Aten: “Eerst kochten ze een strook land rond het meer aan, groeven een ringvaart en met de grond uit die vaart werd een ringdijk gemaakt. Vervolgens maalden molens het water uit het meer, dat 3,5 tot 4 meter diep was. Dat leegmalen ging getrapt. Elke keer als het water een meter was gezakt, werden er op een lager niveau nieuwe molens neergezet, die de volgende meter water wegmaalden. De Beemster werd drooggelegd met 43 molens. Om het land écht goed droog te houden, waren er zelfs nog zeven extra molens nodig, waarmee het totaal op vijftig uit kwam.”Het leegmalen was natuurlijk de grootste klus, maar na afloop hadden de molens, die pas met de komst van de stoomgemalen werden vervangen, ook nog een functie, vertelt Paul Schevenhoven: “Ieder jaar valt er weer 800 millimeter regen, en dat moet ook allemaal worden weg gemalen. Anders wordt het weer een meer.”Toen de Beemster in de lente van 1612 droogviel, was het één grote ‘modderzooi’. Daarna werd het nieuwe land in kavels verdeeld, waar Dou en andere landmeters een goed belegde boterham aan verdienden. Zo ontstonden de typerende strakke rechthoeken.Kavels werden in de zeventiende eeuw afgemeten in ‘morgens’. Schevenhoven: “Iedere regio had zijn eigen ‘morgen’, die zijn naam zou hebben ontleend aan de hoeveelheid grond die je in één morgen kon omploegen. Maar zo’n morgen was niet in elke streek even groot, wat je als landmeter goed in de gaten moest houden. Pas in de Franse tijd, aan het begin van de negentiende eeuw, werd het metrieke stelsel ingevoerd, en kregen we ares en hectares. We hebben dus pas sinds twee eeuwen standaarden op het gebied van maten en gewichten.”

Omslag van het boek Dou, landmeters in Rijnland en Hollands Noorderkwartier, 1600 – 1680

Omslag van het boek Dou, landmeters in Rijnland en Hollands Noorderkwartier, 1600 – 1680Omslag van het boek Dou, landmeters in Rijnland en Hollands Noorderkwartier, 1600 – 1680

Dou, landmeters in Rijnland en Hollands Noorderkwartier, 1600-1680. Met bijdragen van Diederik Aten, Jan de Bruin, Gert Koese, Joke Manshanden, Paul Schevenhoven en Han van Zwet. 128 blz., 120 illustraties, volledig in kleur. Verkrijgbaar bij het hoogheemraadschap van Rijnland, archief@rijnland.net, en hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, post@hhnk.nl. €15,- incl. verzendkosten.

Auteur: Arnoud van Soest