Hollandse lachebekjes

Humor is geen nieuw onderwerp binnen de kunsten. Het wordt er al eeuwenlang op allerlei manieren in verwerkt. Zijn humor en kunst een goede combinatie?

Zeker een stukje vergeten, moet de medewerker van het museum De Hallen in Haarlem hebben gedacht. Hup, een likje witte verf over de zwarte stip en je ziet er niks meer van. Een paar dagen later, op de opening van de tentoonstelling Humor – 101 jaar lachen om kunst, werd duidelijk dat hij daarmee het kunstwerk ‘Portret of the Nail Behind the Canvas’ van Bas van Wieringen had overschilderd… De betreffende medewerker had duidelijk de grap even over het hoofd gezien. Toch is humor, het overkoepelende thema van de tentoonstelling, geen nieuw onderwerp binnen de kunsten en wordt het al eeuwenlang in allerlei vormen in kunstwerken verwerkt. Zijn humor en kunst een goede combinatie?

Bas van Wieringen, Kunstenaar, Portrait of a nail behind the canvas, spijkertje, schilderij, Haarlem, Humor
Bas van Wieringen, Portret of a Nail  Behind the Canvas, 2014. Beeld: MuseumActueel.

Met angst en beven

Van een grapje op zijn tijd wordt iedereen blij, toch? Dat is niet altijd zo geweest. Tot in de zestiende eeuw werd humor juist gebruikt om angst aan te jagen. Binnen de strenggelovige middeleeuwse samenleving werd de duivel een ‘grappig’ personage waarmee werd uitgelegd wat er van een goed christen werd verwacht. Rond de zestiende eeuw was men vooral erg gecharmeerd van het principe van omkering en was zotheid een geliefd thema. De kunstwerken tonen in veel gevallen precies het tegenovergestelde van wat van een beschaafd persoon werd verwacht. Dit leidde vaak tot overvolle zoekplaatjes vol boodschappen. Een echte meester binnen dit genre was Pieter Brueghel. Luilekkerland (1567) dient als een goed voorbeeld van de wijze waarop hij te werk ging. Het schilderij is een verbeelding van een plek waar luiheid en gulzigheid hoogtij vieren. Overal waar je kijkt, is eten, als je geluk hebt, komt het zelfs vanzelf naar je toe gelopen in vorm van een varken of half uitgelepeld eitje. Een aantrekkelijk tafereel, maar de boodschap is precies het tegenovergestelde: wees voorzichtig met overdaad.

Pieter Brueghel, Luilekkerland, Middeleeuwen, Humor, Vraatzucht, Overdaad
Pieter Brueghel, Luilekkerland, 1567, olieverf op doek, 52 x 78 cm. Beeld: Alte Pinakothek München. Beeld: Wikipedia.

Chagrijnig volkje

Niet alleen de boodschap van schilderkunst, ook lachen zelf was lange tijd een serieuze zaak. Vanaf de oudheid waren er al denkers die tot in de puntjes konden beschrijven wat wel en niet gepast was. Later kwamen daar etiquetteboeken bij speciaal gericht op de rijkere bovenlaag van de bevolking. Algemene conclusie: lachen was toegestaan, mits men zich aan de regels hield. Doe het met mate, lachen om de gebreken van een ander is uit den boze, het trekken van gekke bekken is niet gepast, en vertel nóóit twee keer dezelfde grap. Vanuit het sobere protestantse geloof kwam daarnaast het advies iedereen te mijden die voor amusement zorgde. Goochelaars, dansers en narren werden op één lijn gesteld met misdadigers en prostituees. Elke vorm van toneel werd afgewezen, maar voor vooral de komedie hadden zij geen goed woord over. Door al deze voorschriften kwamen met name de bewoners van het toenmalige overwegende protestantse Noord-Holland bekend te staan als niet al te vrolijke types. Er was echter één beroepsgroep die zich niet veel aantrok van de bestaande regels: de kunstenaars.

etiquetteboek, achttiende eeuw, voorpagina
Voorpagina van een achttiende-eeuws etiquetteboek. Beeld: DBNL

Schilderij met een luchtje

In de zeventiende eeuw bleef humor een verhaal-met-een-moraal. Niet het geloof, maar het dagelijks leven kreeg nu echter de hoofdrol. Een dergelijke kunstwerk wordt een genrestuk genoemd. Genrestukken waren ontzettend populair, deels door de kwinkslag en directheid die in veel van de werken te vinden was. Het was meteen duidelijk wat er bedoeld werd. Jan Miense Molenaer, een belangrijk schilder voor de ontwikkeling van het genrestuk in Haarlem, maakte bijvoorbeeld in 1637 een reeks schilderijen waarmee hij de vijf zintuigen in beeld vertaalde. Vooral De reuk toont zijn onderwerp op een niet te missen manier.

Het kunstwerk geeft ruim zicht op de blote billen van een klein kind, dat achterstevoren op de schoot van een vrouw zit. De vrouw, die ons recht aankijkt, veegt met een wit doekje langs de bibs van de dreumes, terwijl zij de bovenkleding van haar slachtoffer omhoog houdt. Dat wat het kind geproduceerd heeft waarschijnlijk niet erg lekker ruikt, is af te leiden uit het feit dat de man naast de vrouw zijn neus dichtknijpt, een vies gezicht trekt en lichtelijk achterover leunt. Het achterwerk van het kind, de handelingen van de vrouw en de reactie van de man maken het niet moeilijk om te raden welk zintuig hier wordt verbeeld. Alles duidt erop dat de geur in de ruimte wel eens beter is geweest.

Jan Miense Molenaer, de vijf zintuigen, reuk, zeventiende eeuw, humor, stank, olieverf, doek, Mauritshuis, Den Haag
Afb. 4. Jan Miense Molenaer, De vijf zintuigen: De reuk, 1637, olieverf op doek, 19,5 x 24,3 cm, Mauritshuis Den Haag. Beeld: Wikimedia.

Gefopt

Aan het einde van diezelfde eeuw kwam naast het genrestuk nog een ander schildertype in zwang: trompe-l’oeil, of gezichtsbedrog. In deze kunstwerken werd men op het verkeerde been gezet. Vaak leek het alsof je de voorwerpen op het schilderij kon vastgrijpen of dat je een stap in het doek kon doen. Maar ook datgene wat op het werk te zien was, kon verwarring scheppen. Hoogtepunt hierin is misschien wel Rugzijde van een schilderij (1670) van Cornelis Norbertus Gijsbrechts, met zijn verbeelding van de achterkant van een schilderdoek.

Cornelis Norbertus Gijsbrechts, Rugzijde van een schilderij, 1670, olieverf op doek, 66,4 x 87 cm, Statens Museum for Kunst, Kopenhagen.
Cornelis Norbertus Gijsbrechts, Rugzijde van een schilderij, 1670, olieverf op doek, 66,4 x 87 cm, Statens Museum for Kunst, Kopenhagen. Beeld: Wikipedia.

Pindakaas

Wat Gijsbrechts deed, zou als een voorzichtig opstapje kunnen worden gezien voor wat begin twintigste eeuw op gang kwam. Toen veranderde namelijk de toon van kunstzinnige humor. De Eerste Wereldoorlog heeft hierin een belangrijke rol gespeeld. Door deze oorlog en het gebruik van nieuwe wapens als gifgas en de tank werd de wereld geconfronteerd met verschrikkelijkheden die nog nooit getoond waren. Iedereen had zijn eigen manier om het een plaatsje te geven, zo ook de kunsten. Zij reageerden onder andere met absurditeit. Sindsdien hebben gezelschappen en individuen expliciet tegen de bestaande, traditionele kunstwereld geschopt; verwarring zaaien was een favoriete bezigheid. Van gedichten waar geen touw aan vast te knopen was tot pindakaasvloeren, alles kwam voorbij.

Afb. 6. Wim T. Schippers, Pindakaasvloer, 1962, pindakaas, 400 x 1200 cm, Museum Boijmans Van Beuningen Rotterdam.
Afb. 6. Wim T. Schippers, Pindakaasvloer, 1962, pindakaas, 400 x 1200 cm, Beeld: Museum Boijmans Van Beuningen Rotterdam.

En nu dus een geschilderde spijker op een wit doek. Wat al deze kunstwerken gemeen hebben, is dat het idee belangrijker is geworden dan de boodschap die ze uitdragen. Ging het er een paar eeuwen geleden nog om dat je een les kon leren uit de getoonde humor, sinds pakweg een eeuw vinden kunstenaars hun humor in voorwerpen uit hun vertrouwde omgeving halen en hen een nieuw plaatsje geven. Zowel in het verleden als het heden is de beschouwer gedwongen na te denken, alleen heeft het beeld heeft een ander uiterlijk gekregen. Humor en kunst gaan prima samen, maar je moet wel met je tijd meegaan.

Humor is al met al een tijdgebonden verschijnsel. Het is jammer dat we nooit zullen weten wat de oudere kunstenaars van onze hedendaagse equivalenten hadden gevonden. Ik denk dat Brueghel en zijn bewoners van Luilekkerland in ieder geval wel raad hadden geweten met de pindakaas.

Auteur: Nienke Knotter

Literatuur

  • Bremmer, Jan (red.) en Herman Roodenburg (red.), A Cultural History of Humour. From Antiquity tot he Present Day, Cambridge 1997.
  • Dekker, Rudolf, Lachen in de Gouden Eeuw. Een geschiedenis van de Nederlandse humor, Amsterdam 1997.
  • Grössinger, Christa, Humour and Folly in Secular and Profane Prints of Northern Europe, 1430-1540, Londen/Turnhout 2002.
  • John Schoorl, ‘Blinde vlek. Reconstructie. Het overgeschilderde kunstwerk’, de Volkskrant 19 juli 2017.

Publicatiedatum: 23/08/2017

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.