Friese Elfstedentocht kent Zaanse voorloper

De Elfstedentocht mag dan een roemruchte geschiedenis kennen die teruggaat tot de achttiende eeuw, de eerste Friese pogingen waren maar kinderspel bij de uithoudingsproef die een viertal schaatsers uit de Zaanstreek in 1676 leverde. Zij maakten een 320 km-lange rit door heel Noord-Holland.

De Friese schaatshistorie kende in de achttiende eeuw al krachtpatsers die er op eigen houtje op uittrokken om de provincie in de rondte te schaatsen. Volgens overlevering reed in het midden van de achttiende eeuw ene Pier als vroege voorloper de tocht langs de elf Friese steden. Zijn heldendaad werd vereeuwigd in een gedicht. Veel meer dan zijn voornaam is er van die Pier niet bekend. De eerste precieze details over het Friese traject vloeiden uit de pen van Pim Mulier, die wordt gezien als één van de grondleggers van de moderne sport in Nederland. Hij reed de tocht officieus op twintig december 1890 in een tijd van twaalf uur en 55 minuten en zette zijn bevindingen nauwgezet op papier.

Toogslee met wintertafereel. Beeld: Zaans Museum

Heldere maneschijn

Al die data, afstanden en tijden zinken echter in het niet bij de monstertocht die vier inwoners van het Zaanse dorpje Koog aan de Zaan in 1676 aflegden. Op negentien december trokken Claes Ariszoon Caeskoper, Maijndert Arent, Jakop Blau en Jakop Buur er gezamenlijk op uit, ’s morgens om vier uur in een heldere maneschijn, en reden via Haarlem naar Amsterdam.

Uitrusten in de kaasstad

Vandaar ging het in een ruk naar Weesp, Naarden, Muiden en over Pampus naar Monnickendam, Edam en Purmerend. Hier vond het viertal het moment aangebroken om na negen uur schaatsen even een kleine rustpauze in te lassen. Na een korte stop werden de ijzers weer ondergebonden en zetten zij koers richting Hoorn om via Enkhuizen en Medemblik het meest noordelijk punt van de route, Alkmaar, te bereiken.
In de kaasstad werd wederom even uitgeblazen om krachten te verzamelen voor de laatste etappe.

Lijdensweg

Ze troffen het niet, want een sneeuwbui maakte de terugweg tot een lijdensweg. Om half negen ’s avonds arriveerde het uitgeputte gezelschap in Koog aan de Zaan. De supertocht van zo’n 320 kilometer door die vier vorstvrije kerels oogstte veel bewondering, maar niemand voelde zich vooralsnog geroepen om de krachtproef te herhalen. De afgelegde route en de ontberingen onderweg zijn door Caescoper (1650-1729) keurig beschreven in zijn dagboek dat hij bijna zestig jaar lang bijhield. In de collectie van het Zaans Museum bevinden zich zijn portret en een beschilderde toogslede met winterse afbeeldingen, als tastbare herinneringen aan die monstertocht.

Portret van Claes Ariszoon Caeskoper. Beeld: Zaans Museum

Kerels van beton

Bijna anderhalve eeuw ging voorbij voor zich nieuwe kerels van beton aandienden met een ongehoorde belangstelling voor uithoudingsproeven. Twee broers ditmaal. Klaas en Willem Oostindie, beiden woonachtig in Koog aan de Zaan. Zij stapten op 29 december 1822 vol goede moed op de schaatsen. Ze hebben het geweten: een harde zuidoostenwind, bomijs, veel klünen en een vastgevroren zandlaag op de gehele trekvaart van Haarlem.

Tegenslag na tegenslag

Het klokje rond ploeterden ze voort, vanaf kwart voor drie ’s morgens tot drie uur ’s morgens de volgende dag. Dank zij de uitvoerige notities van de gebroeders is het reisverslag van de tocht bewaard gebleven. De in nuchtere bewoordingen beschreven verschrikkingen ontnam waarschijnlijk iedere lezer de lust om het ook eens te proberen.

De Twaalfstedentocht van de broers wekte grote verbazing en bewondering in geheel Noord-Holland. Zo zeer zelfs dat de statige Haarlemsche Courant op negen januari 1823 melding maakte van de monstertocht.

Auteur: Peter Roggeveen

Publicatiedatum: 27/12/2010