Fort bij Uithoorn: alsof er zó een soldaat om de hoek kan komen

Fort bij Uithoorn is niet een fort dat veel heeft meegemaakt. Het is wel een fort dat er redelijk authentiek uitziet en daarom gaven de vrijwilligers van het Documentatiecentrum Stelling van Amsterdam er een rondleiding.

Volgens René Ros, die het documentatiecentrum runt, is Fort bij Uithoorn nog één van de meest authentieke forten van de Stelling. “Er is een boel gesloopt, maar in de commandantkamer kun je de houten wandjes en het waskommetje nog zien. In tegenstelling tot veel andere forten krijg je hier wèl het gevoel dat er zo een soldaat om de hoek kan komen.”

Ros’ belangstelling voor de forten van de Stelling van Amsterdam stamt uit de tijd dat hij nog bij de zeeverkenners in Amsterdam zat. “Als we bij de boer kampeerden, tijdens onze boottochten van de Haarlemmermeer tot aan het Amsterdam-Rijnkanaal, zagen we in de weilanden van die vreemde bouwwerken liggen. Het meeste zit natuurlijk onder de grond. En uiteraard zijn we er wel eens stiekem naar binnen geslopen…”

Noodwater

Toen hij zich in de forten ging verdiepen, zo’n twee jaar nadat ze op de Werelderfgoedlijst werden geplaatst, ontdekte hij bijvoorbeeld dat de militairen een noodvoorziening voor het drinkwater hadden bedacht. “Mocht de vijand ooit de duinen bezetten, waar ons drinkwater vandaan komt, dan konden ze in de Rietwijkerpolder bij Sloten water uit de grond oppompen, zuiveren en vervolgens via een leiding naar Amsterdam brengen.”

De bouw van de forten, waarvoor het tracébesluit in 1881 werd genomen, heeft ruim dertig jaar geduurd. In totaal zijn er 46 forten gebouwd, inclusief een aantal batterijen. Een batterij is een wat kleinere opstelling met enkel geschut. De forten werd gecombineerd met een plan om het tussenliggende gebied onder water te zetten, wat de invasie van een vreemde mogendheid moest vertragen. Ros heeft zijn website niet voor niets de ondertitel ‘Een stadsmuur van water’ meegegeven.

Aangezien Nederland neutraal was tijdens de Eerste Wereldoorlog, zijn de forten van de Stelling van Amsterdam nooit gebruikt. Fort bij Uithoorn stond dan ook vooral leeg en diende later als opslagplaats voor defensie. Er zijn plannen om er een hotel van te maken, met een zaal voor bruiloften en partijen.

Klein verlof

Maar zo ver is het nog niet, reden voor de vrijwilligers van het documentatiecentrum om een rondleiding te geven voor donateurs en andere geïnteresseerden. Het is zaterdagmorgen elf uur als vrijwilliger Hans Baas zijn eerste rondleiding geeft. In zijn inleiding vertelt hij dat in de Eerste Wereldoorlog 12.000 – merendeels dienstplichtige – soldaten de Stelling van Amsterdam hebben bemand. Dat was tijdens de mobilisatie, die van augustus 1914 tot voorjaar 2016 duurde. Voor een aantal soldaten duurde die mobilisatie langer, maar in het voorjaar van 1916 werden de meeste soldaten met klein verlof gestuurd, omdat er toch geen invasie werd verwacht.

De Stelling van Amsterdam was de allerlaatste verdedigingslinie als de overige verdedigingslinies, zoals de IJssel-, de Grebbe- en de Waterlinie zouden vallen, vervolgt de gids. “In dat geval zou de regering zich terugtrekken binnen de Stelling van Amsterdam. De koningin zou vermoedelijk haar intrek nemen in het Amstelhotel. De munitiefabriek, die vroeger in Delft zat, is daarom naar de Hembrug verplaatst, om binnen de Stelling te komen. Het idee was dat we een beleg van een half jaar konden doorstaan en daarna bevrijd zouden worden.”

Gladio

Na de Eerste Wereldoorlog waren de forten grotendeels achterhaald, omdat het geschut zwaarder was geworden en vliegtuigen aan hun opmars waren begonnen. De Duitsers hebben het fort in de Tweede Wereldoorlog gebruikt voor munitieopslag  en tot ver na de oorlog heeft de Nederlandse defensie hetzelfde gedaan.

“Tot 1990 is het rechter deel van het fort óók nog gebruikt door Gladio,” legt Baas uit, waarna de oortjes worden gespitst. “Eigenlijk heette het Dienst O en het was een héél geheimzinnig project met spionnen, wapens, zenders, goud en geld. Het was onderdeel van een NAVO-project , bedoeld om verzet te bieden als de Russen ons land binnen zouden vallen. In het rechter deel van het fort hebben we stalen deuren aangetroffen. We hebben hier nog eens een ex-geheim agent op bezoek gehad, die destijds met de grootste geheimzinnigheid naar het fort werd gebracht. Hij werd in een geblindeerde auto op een parkeerplaats in Mijdrecht opgepikt en dan kreeg hij hier de codes voor de zender die hij bediende.”

Dan is het tijd om het fort te betreden, maar niet nadat hij nog even op de naam boven de ingang heeft gewezen. “Als je in Uithoorn naar Fort bij Uithoorn vraagt dan wordt je altijd naar Fort aan de Drecht gestuurd, want dit wordt Fort Amstelhoek genoemd. Maar het heet toch ècht Fort bij Uithoorn.”

Telegraaf

Fort bij Uithoorn is voor 324 militairen gebouwd: 302 soldaten, 18 onderofficieren en 4 officieren. De commandant had zijn eigen kamer. Het contact met de hogere commandanten verliep via de telegraaf en weer later met de telefoon. Dan wijst hij op een kaart die aangeeft welk deel van de Stelling van Amsterdam in geval van een dreigende aanval onder water werd gezet. “Het water, dat uit de Amstel kwam, moest 20-30 cm diep zijn. Te diep om er doorheen te lopen, te laag om met een bootje de Stelling binnen te varen.”

Grondwater

Vervolgens vraagt hij onze aandacht voor de houten kokers waardoor het regenwater naar de drinkwaterkelders werd geleid. “Het regende natuurlijk niet altijd, dus werd er ook grondwater opgepompt. Dat was niet te zuipen, omdat er veel ijzer in zat. Het smaakte als bloed. Om het drinkbaar te maken, gebruikten ze een apparaat waarmee ze het ijzer er uit haalden.” Het water werd in drie betonnen betonbakken in de waterkelders opgeslagen en naar onder het plafond bevestigde reservoirs gepompt, zodat het vanzelf naar de kraantjes kon stromen.

Met smaak vertelt Baas over een granaat van 40 cm lengte en 6 cm doorsnede die hier vier jaar geleden is gevonden. “Het ding begon vervaarlijk te sissen, dus we hebben het aan de kant gegooid en zijn snel het fort uitgehold, maar er gebeurde uiteindelijk niets.” Twee dagen later kwam de Exlosieven Opruimings Dienst, die de granaat tot ontploffing bracht.

Even verderop wijst hij op de stalen deuren van Dienst O. “Natuurlijk hoopten we allemaal spannende dingen aan te treffen, zoals lijken, wapens en goud, maar het enige dat we aantroffen was een blikje teer. De ex-geheim agent vertelde ons dat de codes en de kristallen van de zenders eigenlijk het belangrijkst waren.”

BB-bedden

Uiteindelijk belanden we in een vertrek waar 24 soldaten sliepen. De stapelbedden zijn weliswaar niet authentiek, want die komen bij de inmiddels opgeheven dienst Bescherming Bevolking vandaan. Maar toch hangt er een bordje met het verzoek of we niet op de bedden willen gaan liggen. Dat doen we dan maar niet. Bovendien hebben we intussen méér aandacht voor de wc-pot waar de officieren hun behoefte op deden. “Zo’n toilet was nog heel modern in die tijd, want de boeren uit de buurt poepten nog boven de sloot, op een plank met een gat erin.” Overigens waren de toiletten van de officieren mooier dan die van de gewone soldaten, want verschil moet er zijn. Baas: “De manschappen zaten op een platte houten poepdoos, dus die waren in twee tellen uitgepoept. Bovendien zat er ook geen deurtjes voor, zoals voor de officierentoiletten.”

Er is weinig bekend hoe de mannen hun tijd doorbrachten. Baas vermoedt dat de verveling vaak toesloeg. “Schrijver Theo Thijssen, die hier zijn mobilisatietijd doorbracht, beschrijft hoe hij iemand heeft leren lezen.”

In de volgende ruimte werd munitie opgeslagen. Of eigenlijk waren het drie ruimtes: één voor het buskruit, één voor de granaten en één waar de kardoezen met buskruit werden gevuld. Baas: “De kruitkamer herken je aan een lampnis, waar glas voor zit, zodat de olielamp niet met het kruit in contact kan komen.”

Spreekbuis

In de wasruimte, waar alleen nog de gaten van de wasbakken zijn te zien (de emaillen kommen  en de kranen zijn verwijderd) treffen we in het plafond nog een wonderlijk gat aan, dat ooit voor de waarneming werd gebruikt, zo legt de gids uit. “Hierboven zat een soldaat die kon zien wat de kanonniers met hun schoten hadden aangericht, want de mannen die de kanonnen bedienden konden niets zien. Via de spreekbuis tetterde hij wat de vijand deed en of ze raak hadden geschoten. Vervolgens rende er iemand naar de kanonniers om dat door te geven. Later is dat door een telefoon vervangen, maar het was een mooi en simpel systeem, want zo’n spreekbuis kan niet stuk.”

Tot slot brengen we nog een bezoekje aan het hefkoepelgebouwtje, waarin ooit een kanon stond te draaien, dat omlaag en omhoog kon bewegen. Het kanon kon tot op 1000 meter vijandige troepen raken en dertig à veertig schoten per minuut afvuren. Dat leverde blijkbaar zoveel kruitdampen op, dat er een aparte man nodig was om aan een grote ventilator te draaien. Er is wel mee geoefend, maar gebruikt is het kanon nooit. Het kanon werd door de Duitsers afgevoerd, wat ook met de meeste andere kanonnen van het fort geldt. Alleen aan de linker kant van het verdedigingswerk staat nog een kanon, maar dat hebben de vrijwilligers van een sloper gekregen.

Dan gaat er een deur open en staan we weer in het zonlicht. Baas vraagt nog even onze aandacht voor een onschuldig ogend plantje dat helemaal zo onschuldig niet is: de meidoorn. Het plantje moest dienst doen als ultieme afschrikking. “Die meidoorn werd rondom het fort op een schuine modderhelling geplant. Het was een natuurlijk soort prikkeldraad, waar je onmogelijk doorheen kon komen. En intussen was je een mooie schietschijf.”

Tekst: Arnoud van Soest

Publicatiedatum: 30/05/2018