Forbo Flooring: Schotse uitvinding wordt door ‘de Lum’ geperfectioneerd

Aan het eind van de negentiende eeuw loopt de vraag naar lijnolie en zeildoek sterk terug. De opmars van petroleum als brandstof en de opkomst van stoomschepen vormen een gevaar voor het voortbestaan van de rolrederij voor zeildoek en de lijnoliemolen van de familie Kaars Sijpestein. Een Schotse uitvinding betekent echter de redding voor de familieonderneming. Honderdzestien jaar later verlaten nog dagelijks enorme rollen linoleum de Forbo Flooring fabriek in Assendelft.

Familie Kaars Sijpestein uit Krommenie grondlegger van de linoleumindustrie in Nederland

De familie Kaars Sijpestein begint aan hun succesvolle geschiedenis van ondernemen als Willem Sijpestein in 1812 de rolrederij voor zeildoek van zijn grootvader Jan Kaars erft. Halverwege de negentiende eeuw worden de activiteiten uitgebouwd met de aankoop van een lijnoliemolen in West-Knollendam. In 1889 bouwt de familie een weverij aan de Padlaan waar naast zeildoek, ook jute wordt geproduceerd. Inmiddels heeft de Schotse uitvinder Frederick Walton een nieuw soort vloerbedekkingsmateriaal ontwikkeld. Hij doopt het ‘linoleum’, een samenvoeging van de Latijnse namen vlas (linin) en olie (oleum). Op zijn zoektocht naar kunstleer en waterdichte kledij ontdekt de Schot per toeval dat bij oxidatie van lijnolie een dik taai vlies ontstaat. Walton patenteert zijn uitvinding en begint in 1864 met de productie van een nieuwe vloerbedekking.

Reclame voor linoleumvloerbedekking, Nederlandse Linoleum Fabriek, 1920-1930. Beeld: Forbo Flooring Nederland via Gemeentearchief Zaanstad.

Zieltogend bestaan

Als het nieuws van het succes van linoleum neerdaalt in Krommenie, ziet Piet Hein Kaars Sijpestein mogelijkheden voor zijn zieltogende weverijen en stoomoliefabriekjes. De familie moet op zoek naar nieuwe afzetmarkten, anders is het snel gedaan met hun handel. Piet Hein besluit af te reizen naar een voorstad van Londen voor een bezoek aan de goedlopende fabriek van Frederick Walton. De twee fabrikanten sluiten voor 400 pond een overeenkomst af waarbij de Nederlander het linoleumprocedé mag gebruiken. Tevens krijgt de familie hulp van een Engelse vakman om een linoleumfabriek in te richten. In 1899 ziet de Nederlandse Linoleum Fabriek het licht. Dat jaar nog verlaten de eerste rollen linoleum de voormalige weverij aan de Padlaan in Krommenie, bijgestaan door een aantal Schotten die toezien op het productieproces.

Internationaal kartel

Na een moeilijke opstartperiode begint het vanaf 1907 goed te lopen met de linoleumfabriek. In 1922 wordt een tweede fabriek in Assendelft geopend en raakt het gebruik in zwang om onderscheid te maken tussen ‘Lum-Noord’ (de oude fabriek in Krommenie) en ‘Lum-Zuid’ (de nieuwe fabriek in Assendelft). Linoleumvloeren zijn inmiddels gemeengoed geworden en het wordt in diverse landen in Europa geproduceerd. Omdat het productieproces van bestelling tot levering destijds enkele maanden in beslag neemt, besluit een aantal West-Europese linoleumfabrieken productieafspraken te maken. In 1929 gaat de NLF op in de ‘Continentale Linoleum Union’ – tot genoegen van de familie. In de jaren zeventig, als de familie Kaars Sijpestein zich terugtrekt uit het bedrijf – ontstaat een hechter concern onder de naam Forbo Groep, met hoofdvestiging in Zwitserland.

De linoleumfabriek aan de Vaartdijk, Krommenie. Beeld: Gemeentearchief Zaanstad.

High-tech machinepark

Tot zover de geschiedenis. Hoe wordt linoleum gemaakt? Lub de Heer, bijna 40 jaar werkzaam bij Forbo legt het uit. “Het basisprocedé is vrij simpel. Men vermengt lijnzaadolie met harsen, houtmeel en kalksteen (of kurk) tot een korrelachtig mengsel waaraan kleurpigmenten worden toegevoegd. Onder een ronddraaiende wals, de kalander, wordt het mengsel op de jute geperst. Daarna worden de kilometers lange banen linoleum te drogen gehangen in speciale droogkamers. Na het drogen wordt het linoleum op rollen van 31 meter gesneden. Dan zeggen wij dat “de pijp er wordt uitgesneden.” In de hoogtijdagen werkten er zo’n 1600 mensen bij Forbo, maar door verregaande automatisering staan er nu maar 4 mensen om een machine waaraan vroeger 30 handen nodig waren voor de bediening. De Heer: “er zijn slechts 4 tot 7 personen per lijn nodig, die vanuit de controlekamer hele productieproces in de gaten houden, de rest doen de machines.”De Heer begon als ‘product manager’ – een functie die toen nog niet bestond – en was de brug tussen de productie- en de verkoopafdeling. Hij voorzag zijn collega’s van de reclame en verkoop van de juiste technische informatie uit de fabriek. Inmiddels is De Heer technisch adviseur bij ‘de Lum’, zoals werknemers het bedrijf nog steeds noemen. “Wat Forbo uniek maakt in de wereld is de kennis van machines. Wij ontwikkelen onze eigen linoleummachines, want die worden nergens gemaakt. Onze Technische Dienst doet zelf het onderhoud en beheer van het high-tech machinepark. Een onderdeeltje vervangen kan zo maar drie dagen duren”.

Arbeiders aan het werk in de trimmingzaal, Nederlandse Linoleum Fabriek, 1924. Beeld: Gemeentearchief Zaanstad.

Typische geur

Ondanks de automatisering heeft Forbo zo’n 700 werknemers in dienst waarmee het bedrijf tot één van de grootste werkgevers in de Zaanstreek behoort. Alleen al daarom is de binding met de buurt sterk. En anders zorgt de hoge schoorsteen die het indrukwekkende fabrieksterrein domineert, voor ‘buurtbinding’: de geur van lijnolie is in de wijde omtrek te ruiken. De Heer vertelt dat hij de geur niet meer opmerkt, “maar als ik met vakantie ga, dan mis ik die typische geur. Bij terugkomst zie ik de schoorsteen opdoemen en ruikt het weer naar thuis.”Voor de omwonenden is er meer dan alleen de weeïge, ietwat zoetige geur. De Heer: “twee keer per jaar nodigen we buurtbewoners uit om de fabriek van binnen te bekijken. Tijdens een rondwandeling van zo’n 2,5 uur krijgen zij bijna alles te zien. Bijna alles welteverstaan, want concurrentiegevoelige onderdelen in het productieproces worden afgedekt. Je weet nooit of zich de tussen bewoners een bedrijfsspion van een concurrerende fabrikant heeft verstopt.”

Privé-collectie

Na veertig trouwe dienstjaren zal Lub de Heer binnen afzienbare tijd met pensioen gaan. Wat ooit begon als zijn hobby, is inmiddels uitgegroeid tot een bijzondere collectie aan historische gereedschappen, staalboeken, reclameposters, instructieboeken en oude foto’s over de linoleumfabrikant. Die collectie staat nu in een aantal vitrines opgesteld in de bedrijfsschool, maar De Heer vindt de enorme Expo showroom een betere plek. “Het zou een prachtig afscheidscadeau zijn als onze klanten in die vitrines kunnen kijken en zo iets leren over de rijke historie van de Lum.”

Vitrine met objecten uit de historische bedrijfscollectie van Lub de Heer. Beeld: Lub de Heer.

Industrieel Erfgoed

2015 is het Europese jaar van het Industrieel Erfgoed. Oneindig Noord-Holland vertelt aan de hand van dit themajaar de geschiedenis van het Noordzeekanaalgebied en de Zaanstreek. De provincie Noord-Holland is hierin een belangrijke partner omdat zij het industrieel erfgoed wil behouden en de beleving hiervan door haar bewoners en bezoekers zo breed mogelijk maken.

Industriecultuur

Het industrieel erfgoed van Noord-Holland wordt in de schijnwerpers gezet met het Festival Industrie Cultuur. De festivalactiviteiten vertellen het verhaal van de industrie toen en nu. Van historische windmolens aan de Zaan tot de staalindustrie in IJmuiden, iedereen is uitgenodigd industriecultuur van Noord-Holland te beleven op verschillende en verrassende manieren. Het festival concentreert zich hierbij vooral op de Zaanstreek en het Noordzeekanaalgebied, waar de industriële motor van de metropoolregio zich bevindt.

Auteur: Jephta Dullaart

Publicatiedatum: 08/10/2015

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.