Bloemendaal: Drinkwater uit de duinen

Volgens de overlevering zat de bekende schrijver Jacob van Lennep op een zonnige middag te werken in de tuin van zijn buitenhuis Manpad in Heemstede. Zijn vrouw schonk hem een vers glas duinwater in, dat je daar gewoon uit de pomp kon halen. Spontaan zou toen het idee zijn geboren om dit duinwater te gaan leveren aan Amsterdam. Zoals dat geldt voor wel meer historische anekdotes, is het verhaal te mooi om waar te zijn. Maar het staat buiten kijf dat Van Lennep een doorslaggevende rol speelde bij de oprichting van de Amsterdamse Duinwater-Maatschappij. Vanaf 1853 pompte die steeds meer kubieke meters schoon duinwater naar de hoofdstad die daar grote behoefte aan had.

Brouwerskolk

Brouwerskolkweg/Brouwerskolk, Overveen (foto uit 1860), vervaardigd door Munnich & Ermerins (M&E).

BrouwerskolkBrouwerskolk

Het gonst in Amsterdam

De grote steden in Nederland hadden tot ver in de negentiende eeuw een schreeuwend gebrek aan schoon drinkwater. De belangrijkste waterleverancier voor Amsterdam was de Vecht. Het werd vandaar met schuiten naar de hoofdstad vervoerd. ’s Winters vroor het vaarwater jammer genoeg regelmatig dicht, een probleem voor de watertoevoer dat met behulp van ijsbrekers maar ten dele opgelost kon worden. In de jaren 1830 en 1840 gonsde het in de stad van allerlei voorstellen om een waterleiding aan te leggen. De meeste betroffen de aanvoer van water uit de Vecht, maar in de jaren 1840 doken ook plannen op om duinwater uit Kennemerland te gaan gebruiken.

De Amsterdammer H. de Severein Stoffels diende in de periode 1846-1849 drie varianten in van een plan om water uit de Brouwerskolk naar de Amsterdamse stadsgrens transporteren door een leiding van uitgeholde boomstammen. Overigens had in 1841 de Haarlemse zakenman C. Geerligs Oudhoff al het plan geopperd Kennemer duinwater te gebruiken. Bang voor de concurrenten hield hij geheim waar dat precies vandaan zou moeten komen. Het was het plan van de majoor buiten dienst van de Genie, C.D. Vaillant, dat uiteindelijk de wind in de zeilen leek te krijgen. Hij stelde voor water te winnen in de omgeving van Bloemendaal en dat via een onderaards transportnet naar Amsterdam te voeren.

Eindelijk actie … dankzij de Engelsen

In 1847 kreeg Vaillant toestemming van de minister van Binnenlandse Zaken om zijn plan te realiseren. Hij wist een comité van vooraanstaande Amsterdammers samen te stellen dat zich met voorbeeldige ijver inzette om de geschatte investeringssom van ruim twee miljoen gulden bijeen te brengen. Voorzitter van dit comité was Jacob van Lennep. Op 5 maart 1851 lieten de initiatiefnemers echter teleurgesteld weten dat het, door het “hier te lande maar al te zeer bestaand gebrek aan belangstelling in Industriële Ondernemingen”, niet gelukt was. Maar al snel daarna kwam de redding uit het buitenland.

Het comité kon op 9 mei 1851 laten weten dat het Engelse geldschieters had gevonden die brood zagen in het plan. Voortvarend ging men aan de slag en al op 11 juli 1851 werd de Amsterdamse Duinwater-Maatschappij opgericht. De directeuren (waaronder Van Lennep) waren Nederlanders die in Amsterdam vergaderden. De Raad van Commissarissen bestond uit Engelsen en vergaderde in Londen. De plannen, waarbij nu ook Engelse ingenieurs betrokken raakten, werden nader uitgewerkt. Ook dat ging bepaald niet langzaam. Want het was nog in hetzelfde jaar, op 11 november om precies te zijn, dat de jeugdige kroonprins Willem plechtig een fraai versierde eerste spade in de grond stak. Plaats van handeling: het Mariënduin bij het Manpad tussen Heemstede en Vogelenzang. Het betrof een stuk duingrond dat Van Lennep aan zijn Amsterdamse Maatschappij had verkocht.

Een modern waterleidingbedrijf anno 1853

Na Willems eerste spadesteek werd in het duingebied een kanaal gegraven met een lengte van wel drieduizend meter lang met een breedte van dertien meter en een diepte van ongeveer drie meter. Het daarin opwellend duinwater stroomde naar een zes meter diepe kom die we nu nog, toepasselijk, kennen als ‘de Oranjekom’. Aan de Leidsevaart verrees een waterzuiveringbedrijf met drie zandfilters en een pompstation met moderne stoommachines. Het gebouw staat er nog steeds, zo’n twee kilometer ten zuiden van het station Heemstede-Aerdenhout tussen de vaart en de spoorweg. Het werd later in gebruik genomen als laboratorium en is nu een bedrijfsmuseum. Het water werd uiteindelijk door een 23 kilometer lang buizenstelsel van 12-duims gietijzeren pijpen naar Amsterdam gepompt.

Het werk stond onder leiding van de bekwame Engelse ingenieur John Aird die, zo wordt met ingehouden ironie vermeld, “aan de grote vraag naar buizen, pompen, kranen en ander waterleidingmateriaal tegemoetkwam door in Amsterdam een buizenhandel op te richten”. Dit materiaal kwam overigens hoofdzakelijk uit Engeland. Op twaalf december 1853 konden de Amsterdammers voor het eerst, bij de Willemspoort aan het Haarlemmerplein, een emmertje water kopen à raison van een cent per emmer.

Adres Drinkwater uit de duinen

Bezoekerscentrum Gemeentewaterleidingen Amsterdam Eerste Leijweg 4 Vogelenzang (gemeente Bloemendaal).

Bronnen

J.A. Groen jr., Een cent per emmer. Het Amsterdamse drinkwater door de eeuwen heen (Amsterdam 1978).

Wim de Wagt. Architectuur op Leiduin 1853-1995 : functionaliteit en verbeelding : de gebouwen van Gemeentewaterleidingen nabij de Amsterdamse Waterleidingduinen (Amsterdam 1995).

Beide ter inzage in de bibliotheek van het Noord-Hollands Archief.