6000 gasvlammetjes verlichtten het Paleis voor Volksvlijt

Het is ‘een enorme suikertaart van ijzer en glas’, maar ook een ‘ondeugdelijk tochtgat.’ En toch is het in 1864 geopende Paleis voor Volksvlijt 65 jaar lang een zeer geliefde plek van vermaak aan het Amsterdamse Frederiksplein. Tot een alles verzengende brand daar een eind aan maakt.

Gabri van Tussenbroek, die als bouwhistoricus bij de gemeente Amsterdam werkt, heeft in 2019 de geschiedenis van het Paleis voor Volksvlijt uitvoerig beschreven. Hij omschrijft het als een gebouw dat Nederland nog nooit eerder heeft gezien. Een bouwwerk van ijzer en glas, dat groter is dan het Paleis op de Dam en dat 125 meter lang, 60 meter diep, 60 meter hoog is. Niet zo imposant misschien als het Crystal Palace in Londen, met een tentoonstellingshal van maar liefst 546 meter lengte, waar in 1851 een indrukwekkende wereldtentoonstelling plaatsvindt en waar het Paleis Volksvlijt op is geïnspireerd, maar toch.

The Great Exhibition in Londen, die door zes miljoen mensen wordt bezocht, laat 14.000 producten uit de hele wereld zien. Van marmer uit Italië, via horloges uit Zwitserland tot een drukpers uit Engeland, die in één uur tijd tienduizend kranten kan uitspugen. De Nederlandse inzending steekt daar alleen wat magertjes bij af. Er zijn bronzen beelden te zien, van onder andere Michiel de Ruyter, naast wat tafellakens, zilverwerk en serviesgoed. Dat sommige objecten onder het stof zitten, is tot daar aan toe, en dat er niet de Nederlandse vlag hangt maar de Belgische, soit, maar het valt vooral op dat er geen enkel modern fabricaat wordt tentoongesteld. En dat is tekenend voor de stilstand in het Nederland van de negentiende eeuw.

Op 7 september 1858 ging de eerste paal de grond in voor het Paleis voor Volksvlijt. De Utrechtsepoort stond er toen nog. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Samuel Sarphati

De Amsterdamse huisarts Samuel Sarphati, die de expositie in Crystal Palace bezoekt, droomt van eenzelfde soort tentoonstellingsgebouw in Amsterdam, waar de Nederlandse industrie zijn nieuwste producten en ontwikkelingen kan laten zien. Sarphati werkt als armenarts in Amsterdam, dat rond 1850 door grote armoede en ziektes als cholera wordt geteisterd. Hij zet zich in voor het inenten van kinderen, richt een broodfabriek op voor betaalbaar brood, zet zelfs een vuilophaaldienst op en… hij smeedt plannen voor een tentoonstellingsgebouw, dat onder de naam Paleis voor Volksvlijt moet verrijzen op de plek van de Utrechtsepoort, aan het eind van de Utrechtsestraat. Door de industrie oftewel de ‘volksvlijt’ te stimuleren, hoopt hij de werkgelegenheid te bevorderen en zo de armoede te bestrijden.

Het duurt even voor het Amsterdamse stadsbestuur zijn medewerking verleent, maar het scheelt dat Prins Frederik, broer van de koning, beschermheer van het initiatief is. Via een lening wordt in één dag tijd één miljoen gulden opgehaald en als architect wordt Cornelis Outshoorn uitverkoren, die onder andere het Koninklijk Postkantoor aan de Nieuwezijds Voorburgwal heeft ontworpen. Outshoorn heeft voor de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij de eerste stationsgebouwen in Amsterdam en Haarlem getekend. Hij wordt als geen ander in staat geacht om een solide gebouw van glas en ijzer neer te kunnen zetten.

De bouw vordert, zoals is te zien op deze prent van Emrik en Binger die in apil 1862 werd uitgegeven. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Kathedraalachtig

Hoewel er Engelse bedrijven worden ingeschakeld voor de ijzerconstructies – de Engelsen hebben veel ervaring met bruggen en fabrieken van ijzer -, wordt er natuurlijk ook met Nederlandse bedrijven gewerkt. De firma Kruseman Van den Wall Bake uit Utrecht zal bijvoorbeeld de grote koepel van het Paleis maken. Een koepel die zo’n zestig meter boven het maaiveld uitsteekt en maar liefst veertien meter overspant. Kortom, een blikvanger van jewelste.

Inmiddels zijn de bouwkosten tot anderhalf miljoen gulden opgelopen, terwijl er nog geen cent is verdiend. Op 3 september 1863 wordt het imposante Victoriabeeld op de koepel geplaatst, een engel van zink met een verlichte toorts. De grote zaal van het paleis krijgt een grote glazen kap, zodat de zaal zoveel mogelijk van daglicht kan profiteren. Op 16 augustus 1864, drie jaar later dan gepland, kan het Paleis voor Volksvlijt dan eindelijk worden geopend.

Zo’n 7000 à 8000 genodigden wonen de opening in de grote zaal bij, in aanwezigheid van prins Frederik, naar wie later het plein voor het Paleis zal worden vernoemd. Na de toespraken mag het publiek het gebouw bekijken: de vestibule met zuilen, de ruime trappenhuizen, de tentoonstellingszalen, waarin voor de gelegenheid schilderijen van Hollandse meesters hangen, en natuurlijk de ‘kathedraalachtige’ tentoonstellingshal met zijbeuken en gaanderijen.

Op 3 september 1863 wordt het grote Victoriabeeld op de koepel geplaatst. Het is een engel met een verlichte toorts. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

6000 glasvlammetjes

Maar er zijn natuurlijk niet alleen maar genodigden. Buiten het paleis heeft zich een grote menigte verzameld, die luistert naar een orkest van 400 man dat de destijds bekende sopraan Sophie Offermans-van Hove muzikaal begeleidt. Het Paleis voor Volksvlijt moet een sprookjesachtige aanblik hebben geboden, als het bij het invallen van de schemering van binnen wordt verlicht door zesduizend gasvlammetjes.

‘Als de verlichting aan was en het was schemerig of donker, kon de koepel zelfs vanuit Buiksloot worden gezien, helemaal vanaf de overkant van het IJ,’ zo schrijft Gabri van Tussenbroek.

De eerste tentoonstelling in het Paleis voor Volksvlijt wordt goed bezocht. Een stoommachine laat zien hoe je ijs kunt maken. Dat het zo druk is komt natuurlijk ook omdat iedereen dat prachtige nieuwe ‘volkspaleis’ wel eens van binnen wil zien. Binnen een jaar tijd trekt het gebouw maar liefst 200.000 bezoekers.

Het Paleis voor Volksvlijt in volle glorie, vlak voordat het officieel geopend zal worden. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Oase van palmen

In april 1865 volgt een grote tuinbouw- en bloemententoonstelling, waarvoor de grote zaal in een oase verandert, met rode en witte rozen, palmen en vruchtbomen. Fonteinen en spiegels zorgen voor een sprookjesachtige sfeer. De tentoonstelling is weliswaar een groot succes, maar het is al snel duidelijk dat dergelijke grote tentoonstellingen veel voorbereidingstijd vergen en niet al te vaak kunnen worden gehouden. Om de kassa te laten rinkelen, vinden er al snel grote muziekfeesten plaats.

Een paar maanden later klinken er in een tijdschrift voor architecten al een paar kritische geluiden. De boel zou al aan het roesten, lekken en tochten zijn. Het Paleis voor Volksvlijt is – zo gaat een rijmpje uit die tijd – een ‘kweekplaats van de rhumatiek’.

Dat van die tocht klopt wel, want in de grote hal tocht het vreselijk, zo schrijft Van Tussenbroek. In de zomer is het gebouw vaak veel te heet en in de winter is het niet goed warm te stoken. Vier jaar na de opening wordt daar wat aan gedaan. De hoofdingang krijgt kolossale tochtdeuren en de koepel wordt afgesloten met een plafond om de tocht te verminderen en de akoestiek te verbeteren.

Op 16 augustus 1864 werd het Paleis voor Volksvlijt in aanwezigheid van zo’n achtduizend genodigden officieel geopend. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Vermaakspaleis

Intussen is overigens wel duidelijk geworden dat de opbrengsten van het tentoonstellingsgebouw veel te rooskleurig zijn ingeschat. Er is gerekend op een jaarlijkse opbrengst van 400.000 gulden, terwijl er het eerste jaar maar 150.000 gulden binnen komt, ondanks de grote belangstelling vlak na de opening. Er moet dus snel één miljoen gulden worden bij geleend, terwijl de Paleismaatschappij al grote schulden heeft. Om meer bezoekers te trekken, wordt besloten om meer evenementen te organiseren, waardoor het Paleis, dat oorspronkelijk voor tentoonstellingen was bedoeld, al snel een vermaakspaleis wordt.

Van Tussenbroek heeft uitgerekend dat er in de 65 jaar dat het Paleis voor Volksvlijt heeft bestaan zo’n 23.725 tentoonstellingen, concerten, theatervoorstellingen, opera’s, politieke bijeenkomsten, ballonvaarten en andere evenementen zijn gehouden. Er komt zelfs een eigen orkest, onder leiding van Johan M. Coenen. Tevens krijgt de grote zaal in 1875 een eigen orgel, gemaakt door de Franse orgelbouwer Aristide Cavaille-Coll. Net als bij de orgels van het Londense Crystal Palace luidt hier de kritiek dat het orgel nauwelijks de grote ruimte weet te vullen. Het orgel zal uiteindelijk naar de Haarlemse Philharmonie verhuizen.

De financiële situatie blijft echter nijpend en tijdens de aandeelhoudersvergadering van 1868 wordt zelfs met een faillissement gedreigd. Eén van de leden van de inderhaast opgerichte beheerscommissie ziet zich genoodzaakt om uit eigen zak de leden van het orkest te betalen. Van een faillissement komt het echter niet, wél komt er een nieuwe lening. En een nieuwe directeur: Jan E. de Vries, die van de Stadsschouwburg afkomstig is. De Vries vernieuwt de gasverlichting en gaat volksconcerten en Sint Nicolaasfeesten organiseren, naast optredens van zangeressen, balletdansers en koorddansers.

Interieur Paleis voor Volksvlijt tijdens bloemententoonstelling april 1869. Prent van W. Hekking jr. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Winkelgalerij

De schulden blijven echter oplopen. Om extra kapitaal aan te trekken, wordt een derde deel van de paleistuin aan de achterkant van het Paleis verkocht, waar vervolgens statige woonhuizen en een ronde galerij met vijftig luxe winkels op worden gebouwd. De galerij wordt op 17 mei 1883 geopend en je kunt er terecht voor juwelen, oosterse tapijten, parfum, mode en boeken.

De eerste twintig jaar maakt het Paleis nog wel een bescheiden winst, maar daarna duikt het tentoonstellingsgebouw steevast in de min. Om wat lucht in de financiën te krijgen, wordt het paleisorkest afgedankt. Muziekliefhebbers kunnen voortaan terecht in het zojuist gereed gekomen Concertgebouw. In juni 1890 wordt geld geleend om de grote zaal in een concert- en een theaterzaal te splitsen.

Bij het Paleis hoorde een galerij met vijftig luxe winkels en rijk gedecoreerde plafonds. Foto gebr. Douwes. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

De financiële zorgen van het Paleisbestuur gaan echter aan het grote publiek voorbij, want dat bezoekt met groot plezier de theatervoorstellingen en concerten. Maar de financiële situatie leidt wel tot tumultueuze vergaderingen van de Paleismaatschappij, met vele bestuurswisselingen tot gevolg.

Het Paleis voor Volksvlijt komt pas in rustiger vaarwater als Floris Adriaan van Hall als president-commissaris aantreedt, in 1893. Van Hall bezit de meeste aandelen en is in feite eigenaar van het gebouw. Zo gedraagt hij zich ook. Hij laat een ruimte achter een van de loges in de theaterzaal verbouwen tot woonruimte. Soms betreedt hij, gekleed in kamerjas, de loge om een theatervoorstelling bij te wonen. Het is een wat eenzame, tragische figuur, die ’s avonds laat nog door het paleis zwerft. Hij zal tot zijn dood in het Paleis blijven wonen.

Een jaar na de opening van het Paleis vond de tweede grote tentoonstelling plaats: de Algemene Tentoonstelling Nijverheid en Kunst. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Soedanezen

Intussen wordt er in het Paleis van alles georganiseerd: van bal masqués tot wielerevenementen. In september 1901 treedt er zelfs een ‘Soedaneesch Negerdorp’ op. Een maand lang bivakkeert een groep Soedaneze mannen, vrouwen, kinderen in zes hoge strooien hutten in de tuin van het paleis. Ze koken er ook. De impressario verbaast zich erover dat de Soedanezen elk gerecht met uien vermengen. Optreden doen ze uiteraard op het toneel, in een decor van palmbomen. Ze dansen ‘met een lenigheid en vlugheid die bewondering afdwingt,’ zo noteert de verslaggever van het Volksdagblad.

Er wordt flink op de vloer gestampt, waar het geschreeuw van de twee meter lange hoofdman Abdullah Hassan bovenuit klinkt. Vervolgens laten de Soedanezen elk afzonderlijk zien wat ze in hun mars hebben ‘met een gratie die aan de Europeesche bals deed denken.’ Ook beelden ze ‘een kinderroof uit een slapend negerkamp’ uit. De buurvrouw van de verslaggever vindt ’t is best een kwartje waard.’ De acteurs staan inmiddels ‘fotografieën van hun troep te verkopen.’ En oh ja, als ze geen show geven, lopen ze door de zaal van het Paleis, ‘genietend van hun sigaartje.’

In juni 1890 werd tweehonderdduizend gulden geleend om de grote zaal op te splitsen in een theater- en een concertzaal. Collectie Koninklijk Oudheidkundig Genootschap.

Bal masqués

En hoe ging het er op zo’n bal masqué aan toe? In De Telegraaf van 12 april 1897 komen we een sfeerverslagje tegen dat enige indruk geeft. In de middenruimte van de grote zaal dansen de heren en de dames tegen een achtergrond van slingers en gasvlammetjes. Op de galerijen kijken ‘kijklustigen’ toe, leunend en hangend over de balustrade. Het orkest zorgt voor ‘schetterende muziek’.

Het is overigens niet bepaald een Venetiaans carnaval, want de verslaggever moppert dat het publiek weinig werk van de kostuums heeft gemaakt. Nagenoeg geen enkele man heeft de moeite genomen zich met een masker te tooien. Een enkele ridder loopt dolend rond. Maar gelukkig heerst er wel vrolijkheid op het bal. De pret duurt zelfs tot aan het ochtendkrieken. En natuurlijk worden er prijzen uitgedeeld. Zo gaat de prins en prinses Carnaval met een kaasstolp en twee verzilverde schaaltjes naar huis. En een dame die zich in een met eieren versierd kostuum heeft uitgedost wordt met een gouden horloge blij gemaakt. De entree voor dit gemaskerde bal bedraagt overigens vier gulden voor heer én dame. Wie vanaf de Galerij wil toekijken betaalt één gulden, maar ‘dames zonder behoorlijk geleide’ – zo lezen we in de advertentie – kunnen het wel schudden. Die hebben dus geen toegang. Het zal ze leren, de ‘sloeries.’

Het Paleis brandde in 1929 tot de grond af. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Het noodlot

De Rijwiel en Automobielindustrie (RAI) houdt ook nog enkele tentoonstellingen in het Paleis voor Volksvlijt, maar verhuist in 1922 naar een eigen plek op het huidige Okura-terrein aan de Ferdinand Bolstraat. Intussen gaat de technische staat van het gebouw wel steeds meer achteruit. Tijdens een filmvoorstelling in 1923 komt er zelfs pleisterwerk omlaag.

Maar dan slaat het noodlot toe, in de nacht van 17 op 18 april 1929. Om kwart voor drie die nacht ziet een passerende agent rook komen uit de rechtervleugel van het gebouw, waar zich het Paleiscafé bevindt. Naar algemeen wordt aangenomen is de brand in de keuken van het café ontstaan, mogelijk als gevolg van een kortsluiting. Al snel is de Theaterzaal één grote vuurzee en ‘de vlammen loeiden met zo’n geweld dat al kort na drie uur duidelijk was dat het Paleis als verloren moest worden beschouwd,’ zo schrijft Van Tussenbroek. Het ijzer smelt en het gebouw stort stukje voor stukje in.

De verwoesting vanuit de lucht gezien. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Een verslaggever van het Haarlems Dagblad is getuige van de verwoesting. Alleen van de eens zo trotse koepel is nog iets over gebleven, maar verder is het één grote chaos van ijzer en steen. Een omwonende in de Sarphatistraat neemt de verslaggever mee naar het dak, waar hij om half drie ’s nachts heeft gezien hoe snel het vuur om zich heen grijpt. ‘Meter voor meter lekten de steeds grooter wordende vlammen verder. Niets was er tegen bestand. Telkens hoorde ik stukken naar beneden storten en onheilspellend glasgerinkel. Met een ontzettend lawaai viel de groote engel op den bal – het hoogste punt van het Paleis – brandend naar beneden.’

Dat het gebouw geliefd is, blijkt wel uit het feit dat er duizenden mensen komen kijken naar de restanten van het afgebrande Paleis. Achteraf was het gebouw van ijzer en glas toch niet zo onbrandbaar als altijd was beweerd, want er bevond zich in het gebouw veel brandbaar materiaal, zoals decors en theaterrekwisieten.

Deze kop van een beeld is een van de weinige overblijfselen van het Paleis voor Volksvlijt. Collectie Amsterdam Museum.

Nog steeds geliefd

Volgens Van Tussenbroek zit het in 1929 afgebrande Paleis voor Volksvlijt nog steeds in het collectieve geheugen. ‘Weinig verdwenen gebouwen zijn nog zo geliefd,’ constateert hij. Zelf krijgt hij in ieder geval een warm gevoel als hij naar de oude foto’s van het paleis kijkt.

Tegelijkertijd is hij niet blind voor de gebreken. ‘Het was een tochtgat, het was er koud, het was niet wam te stoken en de financiële exploitatie liep binnen de kortste keren uit op een ramp.’ Maar de Amsterdammers vonden het desondanks een geweldig gebouw.

Het Paleis voor Volksvlijt vanaf de Weteringschans gezien. Foto: Jacob Olie. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Wim T. Schippers

Kunstenaar Wim T. Schippers vindt dat ook. In juni 2002 richt hij een stichting op ‘tot herbouw en exploitatie van het voormalige Paleis voor Volksvlijt’. In 2007 blijkt uit een haalbaarheidsonderzoek dat een reconstructie van het gebouw tussen de 55 en 64 miljoen euro gaat kosten. Maar ja, dan moet De Nederlandsche Bank wel eerst verkassen. En die voelt daar vooralsnog weinig voor. Voor Schippers c.s. is dat geen reden om niet verder te dromen, vooral als hij ontdekt dat de bank geen eigendom is van het Rijks Vastgoedbedrijf. De Bank is gewoon van zichzelf en volgens Schippers betekent dit dat de bank van ons allemaal is, kortom, ‘mogen wij dus beslissen wat ermee gebeurt.’

Wim T. Schippers in 1984. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Tekst: Arnoud van Soest
Omslagfoto: Cornelis de Bruin, Frederiksplein met Paleis voor Volksvlijt, ca. 1900-1929. Collectie Amsterdam Museum.

Bronnen:
Dit artikel is gebaseerd op het vlot geschreven en rijk geïllustreerde boek dat Gabri van Tussenbroek in 2019 uitbracht over de geschiedenis van het Paleis voor Volksvlijt. ‘IJzeren ambitie’ verscheen bij uitgeverij Prometheus. Beknopte informatie over de geschiedenis van het Paleis is ook hier te vinden. Het historisch radioprogramma OVT sprak met Van Tussenbroek. Dat is hier is te beluisteren. Aanvullende informatie over de brand, waar ONH in 2016 al aandacht aan besteedde, komt uit het Noord-Hollands Archief. Informatie over het Soedanees ‘negerdorp’ en de bal masqué’s is via www.delpher.nl achterhaald.

Publicatiedatum: 29/01/2021