Nadat de jonge Wilhelmina de hermelijnen mantel heeft omgedaan, die haar grootvader Willem II nog had gedragen bij zijn inhuldiging, is het tijd om te vertrekken. Wilhelmina loopt van het Paleis op de Dam naar de Nieuwe Kerk. Daar is een bont gezelschap van hoogwaardigheidsbekleders bijeengekomen, van bevriende vorsten en leden van de Staten-Generaal, tot grote aantallen journalisten uit binnen- en buitenland. Onder het toeziend oog van deze gasten spreekt Wilhelmina haar zelfgeschreven rede uit en legt ze haar eed af. De rede is kort en getuigt van een warm gevoel voor het Nederlandse volk en een besef van de zware taak die haar te wachten staat. De gasten zijn erg gecharmeerd van de jeugdige koningin in haar witte gewaad. Buiten de Nieuwe Kerk staan op dat moment duizenden mensen te wachten tot de ingehuldigde koningin naar buiten komt. Na de inhuldiging volgt een rijtoer door de stad, waarbij iedereen de kans krijgt nog een glimp op te vangen van de koningin.