17 mei 1920

Eerste burgervliegtuig landt op Schiphol

Op 17 mei 1920 landde onder grote belangstelling van de pers het eerste burgervliegtuig op Schiphol. Het drassige weiland werd de bakermat van de Nederlandse luchtvaart.

De historie van Schiphol begint in 1914, niet al te lang na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. De legerleiding van het neutrale Nederland wilde graag een vliegveld binnen de Stelling van Amsterdam. De poldergrond rondom Fort Schiphol werd het meest geschikt – en betaalbaar – geacht. Zo’n twee jaar later lag er een vliegweide van 200 bij 600 meter en een aantal loodsen.

Het Schiphol dat wij vandaag de dag kennen is ontstaan dankzij de ondernemingszin van Albert Plesman. Plesman, ‘bezeten van de luchtvaart’, richtte in 1919 de Koninklijke Luchtvaart Maatschappij (KLM) op. Hij koos het drassige weilandje van Schiphol als centrum voor zijn nieuwe burgervluchten. Na de landing van het eerste burgervliegtuig op 17 mei 1920 ging het snel. Zes keer per week vertrok een vaste lijndienst tussen Amsterdam en Londen, daar werden al snel regelmatige retourvluchten naar Kopenhagen, Hamburg en Brussel aan toegevoegd.

De Luchtmacht verliet in het najaar van 1921 het terrein en de gemeente Amsterdam werd de nieuwe eigenaar. Het vliegveld kreeg een flinke opknapbeurt. Toen in 1928 de Olympische Spelen in Amsterdam van start gingen, lag er een ‘volwassen’ luchthaven met zo’n honderd vluchten per week. Naast passagiers trok Schiphol ook veel bezoekers, die tegen betaling op het vliegveld kwamen kijken.

Gerelateerd artikel

Schiphol door een menselijke bril Schiphol: van vliegweide tot Airport City Zo verging het Schiphol tijdens de oorlog