Het Huwelijkskrakeelboek en andere verhalen van Rembrandt

Aan de hand van archiefstukken uit eigen archief besteedt Stadsarchief Amsterdam aandacht aan het leven van de grootste schilder van de Gouden Eeuw: Rembrandt van Rijn.

Die archiefstukken zijn om twee redenen problematisch, vertelt Ludger Smit, hoofd presentaties. “Die letters kunnen we niet lezen en als je na veel oefenen weet wat er staat, kun je het nog niet begrijpen, want het 17 e eeuws Nederlands.” Vandaar dat de bezoeker bij binnenkomst een IPad met koptelefoon mag pakken, waardoor acteur Peter Prins bij elke vitrine een verhelderend verhaaltje kan vertellen. De Ipad laat ook prenten en tekeningen van de grote meester zien. Bovendien zijn de archiefstukken in eigentijds Nederlands naverteld (hertaald), waarmee ze een stuk toegankelijker worden.

Zelfportret, etsend bij het raam. Rembrandt, 1648. Bruikleen van het Rijksmuseum.

Amstelredam

Als je de tentoonstellingszaal betreedt, zie je aan de linker kant meteen een prachtige plattegrond uit 1647 van Balthasar Floriszoon van Berckenrode. De kaart laat goed zien hoe Amstelredam er in die tijd uit zag. Het IJ lag bomvol zeilschepen, want Amsterdam was in de Gouden Eeuw één van de belangrijkste handelssteden. De Blauwe Brug bij het stadhuis was nog een hoge, smalle, houten brug en aan de stadsrand stond een waaier van molens. Opvallend is de spelling van de straatnamen. Je ging naar de dominee in de Zuyder Kerck en je wandelde over het Speuy (Spui).
Rembrandt werd in 1601 in Leiden geboren, maar bracht het grootste deel van zijn leven in Amsterdam door: hij woonde er van 1631 tot zijn dood in 1669. Zo maakte hij mee dat het stadhuis op 7 juli 1652 afbrandde. De brand greep fel om zich heen, want het gebouw was grotendeels van hout. Eén van de brandweerlieden rende het kantoor van de Weeskamer in om alle boeken en registers die hij te pakken kon krijgen uit het raam te gooien, waarna hij zich aan een touw langs de toren naar beneden liet zakken. De trap was al afgebrand. Twee dagen later schetst Rembrandt de toren en de gemetselde muren die nog overeind zijn blijven staan. In de archieven is nog een oud verslag van de brand teruggevonden. Daaruit blijkt dat bezorgde burgers de trompetter nog hebben gemaand om terug de toren op te gaan om alarm te blazen. Hij weigerde omdat hij dat al gedaan had. Bovendien: ‘Wat zou ik boven moeten doen, ik zal er verbranden.’

Deze tekening van het galgenveld aan de rand van de Volewijk, aan de noordkant van het IJ, is in
1664-1665 gemaakt door Anthonie van Borssom. Bruikleen van het Rijksmuseum.
Rembrandt maakte twee tekeningen van het ongelukkige Deense dienstmeisje, dat haar huisbazin
met een bijl ombracht. De tekeningen bevinden zich in de Verenigde Staten.

Ipads

Terwijl de Ipads worden uitgedeeld, vertelt hoofd presentaties Ludger Smit nog even wat hij zelf één van de aardigste verhalen van de tentoonstelling vindt. Zo werd hij getroffen door het verhaal van Hendrickje Stoffels (1626-1663), die Rembrandt drie dochters schonk. “Hendrickje moest voor de Kerkeraad verschijnen, omdat ze ongehuwd zwanger was. Ze werd van hoererij beschuldigd, omdat ze ongehuwd met Rembrandt het bed deelde.”
Linda Maas, die de teksten voor de tentoonstelling schreef, stelt zich voor hoe ze haar hand legt op haar buik die opbolt onder haar kleding, ‘alsof ze haar kind wil beschermen tegen de kille blikken van de ouderlingen.’ Smit vermoedt dat het op de Bijbel geïnspireerde schilderij ‘Susanna bespied door de ouderlingen’ Rembrandts commentaar is op de gevoelloze manier waarop de ouderlingen Hendrickje hadden behandeld. De hoofdconservator is ook blij dat het Stadsarchief het testament van Rembrandts eerste vrouw Saskia kan laten zien. “Om problemen met schuldeisers te voorkomen, laat ze haar geld na aan hun zoon Titus. Rembrandt mag dat geld zo lang beheren. Ze ondertekent dat testament met een hele bibberige handtekening. Dat moet van de koorts komen en als je daar naar kijkt, komt zo’n document toch héél dichtbij.”

In 1631 maakte Rembrandt deze ets van zijn moeder Neeltgen van Zuytbrouck.
Stadsarchief Amsterdam

Huwelijkskrakeelboek

Ook de derde vrouw uit Rembrandts leven, Geertje Dircx (1615- na 1656), die hij aanvankelijk aannam als kindermeid voor zijn zoon Titus, komen we op de tentoonstelling tegen in de vorm van een nog redelijk goed leesbaar document. Rembrandt en Geertje moeten voor de Kamer van de Huwelijkse Zaken verschijnen. Het staat allemaal netjes beschreven in het Huwelijkskrakeelboek van 23 oktober 1649. Geertje zegt dat Rembrandt met haar heeft geslapen en meerdere keren heeft beloofd met haar te zullen trouwen. Rembrandt zegt daar niets van te weten en zegt dat ze dat maar moet bewijzen. Smit: “Dat was natuurlijk niet heel erg aardig, want hij had al een soort van alimentatie met haar afgesproken, die door de commissarissen van huwelijkse zaken werd verhoogd. Kennelijk was er dus wel iets aan de hand, ook al hoefde hij niet met haar te trouwen.”

Rode kruizen

Hoewel er nog veel onbekend is over Rembrandts leven, is er natuurlijk al veel onderzoek naar de schilder gedaan, onder andere door Abraham Bredius (1855-1946). Abraham was van plan een groot pianist te worden, maar toen dat niet lukte, stortte hij zich op de 17 e eeuwse schilderkunst. Hij werd museumdirecteur èn kenner van het werk van Rembrandt, die overal waar hij in de archiefstukken de naam Rembrandt tegenkwam vrolijk een rood kruis zette. Die rode kruizen kom je dan ook op menig tentoongesteld archiefstuk tegen. Als de man piano was gaan spelen, was ons dat bespaard gebleven. Het is overigens niet de eerste keer dat de archiefstukken getoond worden. Het Stadsarchief Amsterdam heeft er al eerder op haar website aandacht aan besteed, maar er zijn wel wat nieuwe toevoegingen die zijn aangereikt door historicus Mark Ponte, die onderzoek doet naar slavernij.

Rembrandt tekende namelijk veel straatfiguren en op zo’n twintig werken van hem komen zwarte mannen of vrouwen voor, meestal als bediende of soldaat. Grote kans dat hij die figuren op straat tegenkwam, want in de Breestraat, waar Rembrandt woonde, bevond zich een kleine Afrikaanse gemeenschap. Die gemeenschap bestond uit zeelui en soldaten die in dienst waren van de West-Indische Compagnie èn uit ex-slaven die op de plantages in Suriname werkten en in het kielzog van de kooplieden – veelal Portugese en Spaanse Joden – als bediende mee waren gekomen naar Amsterdam.

Zelfportret met Saskia, Rembrandt, 1636.
Bruikleen van Kunsthandlung Helmut H. Rumbler, Frankfurt

Bewogen leven

Dat Rembrandt een bewogen leven heeft geleid, wordt uit de tentoonstelling wel duidelijk. Op 2 juli 1634 treden Rembrandt en Saskia Uylenburgh ergens in Friesland in het huwelijk. Ze hopen op een fortuinlijk en vruchtbaar leven, maar dat laatste valt nogal tegen, want drie van hun kinderen zullen het uiteindelijk niet halen: hun eerste kind, een jongetje, overlijdt na twee maanden en twee meisjes worden niet ouder dan twee en drie weken. Ook Rembrandts zoon Titus wordt niet gespaard. Een half jaar nadat hij met Magdalena van Loo is getrouwd, bezwijkt hij aan de pest. Zeven maanden later volgt Magdalena hem in het graf.
Maar of Rembrandt uiteindelijk arm is gestorven – op 4 oktober 1669 overlijdt hij op 63-jarige leeftijd in zijn huurhuis op de Rozengracht – zoals de mare gaat, valt te betwijfelen. Ludger Smit: “Uit de boedelbeschrijving van zijn woning aan de Rozengracht blijkt geen armoede.” Zijn schoondochter Titia haalt nog gauw een buidel met gouden munten uit de linnenkast, om de erfenis van haar dochter veilig te stellen. Rembrandt blijkt tot kort voor zijn dood nog geschilderd te hebben; in zijn laatste levensjaar heeft hij zelfs nog aan drie zelfportretten gewerkt. ‘Het zijn indrukwekkende getuigen van het onnavolgbare, eigenzinnige en buitengewone kunstenaarschap van Rembrandt van Rijn,’ besluit de tentoonstelling. ‘De grootste schilder van de Gouden Eeuw.’

Rembrandt Privé is tot 7 april te zien in het Amsterdamse Stadsarchief. Er zijn lezingen, stadswandelingen en workshops. Alle informatie hierover is te vinden op www.amsterdam.nl/stadsarchief.

Tekst: Arnoud van Soest