45 brouwers maken van Amsterdam een bierstad

Nu de coronacrisis lijkt uit te doven, komt het Amsterdam Museum met een opwekkende tentoonstelling over bier.

Amsterdam mag tegenwoordig gerust een bierstad worden genoemd. Niet alleen omdat Heineken hier is begonnen, maar omdat de hoofdstad met 45 brouwers de meeste biermakers van het land telt. Daar komt nog bij dat in supermarkten en cafés  de laatste tien jaar het speciaal bier niet is aan te slepen, zo vertelt gastconservator Edo Dijksterhuist. “Vroeger had je maar een paar pilsjes, nu kun je alle kanten op.”

Tot halverwege de Middeleeuwen wordt bier thuis gemaakt. Vooral vrouwen houden zich daarmee bezig. Het bier dat zij brouwen is voor eigen consumptie en wat ze overhouden gaat naar naburige herbergen. Uiteindelijk nemen brouwerijen die taak over.

Tableau van keramische tegels met uitzicht op de Amsterdamse bierbrouwerij De Gekroonde Valk, door Plateelbakkerij de Distel, 1908. Bruikleen collectie Nederlands Tegelmuseum, Otterlo.

Ambachtelijk

De biertentoonstelling begint overigens in de jaren tachtig van de vorige eeuw, als de kiem wordt gelegd voor ambachtelijk gemaakt bier. Veel kleine bierondernemers, of ze bier nu brouwen of in een winkel of café verkopen, vinden elkaar in het streven om bier met smaak te willen brouwen. “Ze willen in ieder geval iets anders brouwen dan dat flauwe pils,” aldus Dijksterhuis.

In een filmpje waarin kleine brouwers aan het woord worden gelaten, verwoordt iemand het zo: “Als ik in een restaurant kwam en met een biertje wilde beginnen, vroeg ik vaak: wat heb je allemaal voor lekkers? Vervolgens kreeg ik een industrieel pils voorgeschoteld. Hoe kan dat nou, dacht ik dan. Je hebt een liefde voor eten, je hebt een liefde voor wijn, maar je verwaarloost bier.”

Met de opbrengsten van de Drukwerk-hit ‘Je loog tegen mij’ zet Kaspar Peterson in 1985 Brouwerij ’t IJ op, de eerste onafhankelijke brouwerij van twintigste-eeuws Amsterdam. De brouwerij legt zich toe op Belgisch bier als tripel, dubbel en witbier. Dat sluit aardig aan bij het assortiment van Gollem,  dat in 1974 in de Raamsteeg opent als één van de eerste biercafés van het land. Bij de Bierkoning, in de nabijgelegen Paleisstraat, kun je nu biertjes uit de hele wereld aantreffen. En Bier & Co zorgt ervoor dat de bieren van ’t IJ en geestverwante brouwers bij de kroegen en andere horeca terecht komen. Zowel Bier & Co als De Bierkoning komen voort uit de krakersscene, ‘die in de jaren 1980 een doe-het-zelfmentaliteit koppelt aan een afkeer van massaproductie,’ zoals de tentoonstellingsmakers het fraai formuleren.

Bierkan, 1557. Collectie Amsterdam Museum.

Klooster

Opvallend is dat veel kleine brouwers sociaal zijn ingesteld. Brouwerijen als De Prael, De 7 Deugden en Troost bieden werk aan mensen ‘met een afstand tot de arbeidsmarkt’, terwijl Brouwerij Kleiburg in de Bijlmermeer is gelieerd aan een klooster dat daklozen helpt. Zo ver gaan de vormgevers achter Boys Bier niet, want die steunen de lokale voetbalploeg, maar dat is ook een nobel doel.

Dat sociale zit ‘m ook in de manier waarop die kleine brouwerijtjes worden gefinancierd. Brouwinstallaties zijn een dure grap, ook al kun je ze tegenwoordig in China goedkoper bestellen dan in Duitsland of Oostenrijk, maar als je het benodigde geld via crowdfunding inzamelt, ben je in ieder geval minder afhankelijk van de banken.

Aan hoe bier wordt gemaakt, is een aparte zaal gewijd. Bier wordt gemaakt van water, graan, hop en gist. Daar kun je desgewenst andere ingrediënten aan toevoegen, waarbij je het zo bont kunt maken als je zelf wilt. Zo doet Brouwerij de Prael regenwater in zijn bier en maakt biologische brouwerij Troost van aardappelen Pieperbier. Maar het kan nog gekker, want er zijn hedendaagse brouwers die koriander, sinaasappelschillen, zeewier en pruimen in hun bier stoppen.

Een selectie van door Amsterdamse brouwerijen gebrouwen bieren in fles. Foto: Amsterdam Museum.

Hop

Maar wat je ook in je bier gooit, om bier te maken moet je altijd koken, mengen, filteren en afkoelen. Dat proces neemt ongeveer acht uur in beslag, waarna het bier nog dagen tot weken moet rusten voordat het drinkbaar is, zo wordt in deze behoorlijk uitgebreide, en aantrekkelijk ingerichte tentoonstelling uitgelegd. Via verstuivers en blaasbalgjes kun je er bijvoorbeeld achter komen hoe hop ruikt. Behoorlijk vies dus. Elk soort hop geeft het bier weer een andere smaak.

Pils en bier worden vaak op een hoop gegooid, maar er is duidelijk een verschil, legt gastconservator Dijksterhuis uit. Pils wordt eind negentiende eeuw geïntroduceerd en is dan al een enorme verbetering vergeleken met het bier dat daarvoor wordt gedronken. “Voor die tijd werd donkerder en zwaarder bier gedronken,” weet medegastconservator Irma Enklaar te vertellen. “Pils is helder bier, dat er mooi uit ziet in een glas.” Dijksterhuis knikt instemmend. “Toen pils werd geïntroduceerd was het een sensatie, omdat het zo sprankelend was, maar later, toen het fabrieksmatig werd gemaakt, vlakte de smaak wat af.”

Strooien beschermhuls voor bierflessen, 1921-1923. Collectie Amsterdam Museum.

Bier in blik

Is het bier eenmaal gebrouwen, dan wordt het in flessen of in blik ‘afgevuld.’ Cadmiumkratten zoals we die nu kennen, zijn er anno 1920 nog niet, dus worden bierflessen in die tijd nog beschermd door rieten omhulsels, zodat ze veilig in houten kratten kunnen worden vervoerd. Enklaar: “We laten een filmpje zien van een hedendaagse brouwer, die op blik is overgestapt. Zo’n blikje kun je een mooi design meegeven. Bovendien is blik licht en makkelijk te vervoeren.” Blik is ook beter voor het bier, omdat er geen licht en lucht bij komt.

Via schepen, paard en wagen en later via vrachtwagens wordt het bier naar de afnemers gebracht, maar in de achttiende eeuw worden daar nog biersleëen voor gebruikt. Op de tentoonstelling is daar een exemplaar van te zien, afkomstig uit de Heinekencollectie. Zo’n bierslee wordt niet alleen bij sneeuw, maar het hele jaar door ingezet en geeft veel herrie op de keien. Dijksterhuis: “In 1736 gaf de gemeente Amsterdam het verkeer vrij voor koetsjes, maar het werd meteen ongelooflijk druk in de stad. Om dat een beetje te temperen, werd er belasting op koetswielen geheven, zoals ze vroeger ook belasting hieven op ramen, waardoor je vaak van die dichte gevels kreeg. Zo kwam men op het idee van een koets zonder wielen. De koetsier had ook altijd een smeerlap bij zich om doorlopend de ijzers in te vetten.”

Een paard trekt een bierslee met vaten bier over de Dam. Het vervoer van bier paste in het straatbeeld. Jan van der Heyden, De Dam, 1668. Collectie Amsterdam Museum.

Heineken

Uiteraard kun je bij een biertentoonstelling niet om Heineken heen. In 1864 gebruikt de dan 23-jarige Gerard Adriaan Heineken zijn erfenis om brouwerij De Hooiberg over te nemen. Die brouwerij heeft zich in 1592 aan de Nieuwezijds Voorburgwal gevestigd, is lange tijd ’s lands grootste brouwerij, en is in 1857 de eerste brouwerij met een stoommachine, om uiteindelijk als bierhuis te eindigen. Tegenwoordig zit hotel Die Poort van Cleve in het pand.

In 1867 bouwt Heineken een nieuwe brouwerij aan de Stadhouderskade, waar toeristen en andere bezoekers inmiddels een rondleiding kunnen krijgen, om zich tot slot aan gratis bier te kunnen laven. Gerards kleinzoon Freddy zal het bedrijf uiteindelijk laten uitgroeien tot de op een na grootste brouwerij ter wereld.

Om niet alleen een hallelujah-verhaal over bier te vertellen, schenken de makers van de tentoonstelling ook aandacht aan de geheelonthoudersbeweging, die vooral in het begin van de twintigste eeuw heel sterk was. Ook de ‘macho-cultuur’ die in de tweede helft van de twintigste eeuw ontstond, als ware bier vooral een mannendrank, komt aan bod. De Bucklersketch van Youp van ‘t Hek, die de draak stak met alcoholvrij bier, ontbreekt evenmin, ook al heeft dat uiteindelijk de opmars van alcoholvrij bier niet kunnen stuiten. Er is zelfs ‘protestbier’ te zien, gebrouwen door kunstenaars, omdat de toenmalige staatssecretaris van cultuur, Halbe Zijlstra, zijn minachting voor kunst niet onder stoelen of banken steekt. En fors het mes zet in kunstsubsidies. De opbrengst van het ‘Halbebier’ gaat naar kunstprojecten.

Een meisje probeert haar vader tegen te houden, die op het punt staat een café binnen te gaan. Links staat een vrouw met haar gezicht in een doek te huilen. Johannes Walter (graveur) en Johan Coenraad Braakensiek (tekenaar), prent ‘Ach, Vader! Niet meer!’, 1875-1899. Collectie Amsterdam Museum.

Vrouwen en bier

In de ‘beeldzaal’, waar kleine evenementen zullen worden georganiseerd als Het Virus geen roet in het eten strooit, wordt een selectie van commercials getoond, die laten zien hoe het imago van bier in de loop van de tijd veranderd is. Enklaar: “We laten de stereotypen, het machogedrag en de rol van de vrouw in de bierreclame s zien.” Dat loopt van vrouwen die bijna opkijken tegen mannen die een biertje drinken tot vrouwen die geen mannen nodig hebben om van een biertje te genieten.

In de laatste tentoonstellingszaal, tot slot, kunnen we een oude tapkast bewonderen, die uit de eigen collectie van het Amsterdam Museum komt. Enklaar: “We hebben dat ding gerestaureerd, zodat het eindelijk eens een plekje kon krijgen, want ja, wanneer zet je nou een tapkast in een museum.”

Reclameposter van Heineken. Bruikleen collectie Heineken.

De tentoonstelling ‘Bier. Amsterdam, stad van bier en brouwers’ is tot en met 1 november 2020 in het Amsterdam Museum te zien. In verband met de coronamaatregelen dient gereserveerd te worden. De audiotour is bij de entreeprijs inbegrepen en wie van de expositie dorst heeft gekregen, kan in het museumcafé terecht voor een blik Amsterdam Museumbier.

Tekst: Arnoud van Soest

Publicatiedatum: 13/07/2020