Speuren in het archief: ‘Ik hing van blijdschap in de gordijnen’

Scheldwoorden als 'Gij snoodaard' of 'bliksemse pluizenbol' bewijzen dat het ontcijferen van eeuwenoude notarisstukken allesbehalve saai werk is. Twee vrijwilligers van het Stadsarchief Amsterdam vertellen over hun ervaringen.

Vrijwilliger Arjen Lobach is al zes jaar vrijwilliger voor het Stadsarchief. Momenteel werkt hij mee aan een project dat de computer met de hand geschreven notarisverklaringen leert ontcijferen. “Ik doe vooral 18e-eeuwse notarissen, want die zijn gemakkelijk te lezen.” Arjen doet dit werk graag. “Je leest over scheepsreizen. Dat ze last hadden van storm en kapers, soms meerdere keren op één reis. Of dat ze vanuit Archangel in Rusland met een lading hout vertrokken, terugkeerden omdat ze teveel tegenwind hadden en de volgende ochtend merkten dat de haven dichtgevroren was. En dat ze vervolgens maanden moeten wachten voordat ze weer kunnen vertrekken. Dan geeft een goed beeld van de ontberingen op zo’n scheepsreis.”

Maar voor de ècht sappige verhalen verwijst hij naar zijn buurvrouw, Titia Jansen, die zich met de akten van Cornelis Staal heeft beziggehouden. Staal maakte verklaringen op van ruzies, scheldpartijen en vreemdgaan. “Daar zitten smakelijke verhalen tussen,” vertelt Titia. “In 1751 trof een vader zijn dochter onder het bed aan, waar ze met de getrouwde buurman lag. De vader wilde waarschijnlijk zwijggeld van die buurman hebben en daarom wilde hij een verklaring afleggen. Je gaat namelijk niet voor de lol naar de notaris; dat doe je om er profijt van te hebben.”

Vrijwilliger Arjen Lobach. Foto door Arnoud van Soest.

Dienstmaegden

En zo kwam Titia verhalen tegen van dienstmaegden die door het raam naar buiten vluchtten omdat de heer des huizes zijn handen niet thuis kon houden. “Je leest ook de meest absurde scheldpartijen, zoals ‘Gij snoodaard’ of ‘bliksemse pluizenbol’. Dat is toch veel leuker dan wat er nu wordt gescholden!”

Ook kwam ze verklaringen tegen waarin werd uitgelegd waarom de scheepslading was beschadigd. “Dat kwam dan door stormen, waarbij bootsmannen overboord sloegen, zeilen die scheurden en fokkemasten die afbraken. Ik heb zelfs een zeemanswoordenboek uit de achttiende eeuw aangeschaft, om bijvoorbeeld op te zoeken wat holle winden zijn. Want als je die woorden kent, weet je ook beter waar het verhaal over gaat.”

Vrijwilliger Titia Jansen. Foto door Arnoud van Soest.

Een halve walvis

En wat dachten we van een akte waarin haarfijn wordt beschreven hoe een Amsterdamse walvisvaarder ergens bij Groenland een walvis te pakken had gekregen. “Ze kregen meteen de Engelse kapers over zich heen, want die wilden de helft van die walvis hebben. En toen ze bij de kust van Groenland aan wal gingen, wilden de bewoners ook hun deel. Ze kwamen dus helemaal berooid thuis. Dat is toch sneu,” ze barst in schaterlachen uit.

Jan Saenredam en Theodor Schrevelius, Gestrande walvis bij Beverwijk, 1601. Collectie Kennemerland, Noord-Hollands Archief.

Toen ze in september 2016 met het indexeren van Amsterdamse aktes begon, raakte Titia pas ècht geïnteresseerd in de geschiedenis van Amsterdam. “Ik ben me gaan inlezen, want door die akten gaat een hele nieuwe wereld voor je open in je eigen stad.”

Vooral boedelinventarissen loopt ze heel nauwkeurig na, want je zult maar een ontbrekende Rembrandt tegenkomen. “Dan heb je meteen Jan Six op de stoep!” En nu we het toch over vondsten hebben: “Ik herinner me dat ik op een avond laat nog een akte wilde doen, want het is héél verslavend werk. Veel akten zijn familiekronieken, dus je wilt weten hoe het afloopt. Uiteindelijk kwam ik toen in die boedelinventaris een onbekende Jan Steen en een onbekende Gabriël Metsu tegen. Nou, ik hing van blijdschap in de gordijnen. Ik heb het meteen doorgegeven aan het Huygens Instituut, die het vervolgens mag uitzoeken.”

Lees hier ook het interview met projectleider Pauline van den Heuvel.

Tekst: Arnoud van Soest