Het Dolhuys verbouwt en slaat een nieuwe weg in

Het Haarlemse Dolhuys is een 700 jaar oud gebouw, waarin nu een museum is gevestigd. Voorheen belichtte dat vooral de geschiedenis van de psychiatrie, maar sinds twee jaar heeft het museum de doelstelling verbreed naar Museum van de Geest.

Wetenschappelijk medewerker Floris Mulder leidt de verslaggever rond in het museum, dat sinds april 2018 is begonnen aan een verbouwing, die eind 2019, begin 2020 klaar moet zijn.

De verbouwing is vooral bedoeld om achterstallig onderhoud weg te werken. Dat is ook wel nodig, want als we het voormalige Lopershuis inlopen, waar in vroeger tijden lepraverdachten uit heel Nederland naar toe kwamen om zich te laten keuren, wijst Mulder op een steunbalk, die daar een paar jaar geleden is aangebracht. “Een héél leger van boktorren vrat de draagbalk van binnen op.” Gelukkig werd het op tijd ontdekt, zodat er een steunbalk kon worden geplaatst. “Maar eigenlijk is het geen gezicht, dus dat wordt gerestaureerd.”

De laatste dolcel. Foto: Dolhuys, museum van de geest.

Als iedereen

Maar dat achterstallige onderhoud is niet de enige reden van de verbouwing. Ook inhoudelijk wordt het museum vernieuwd. Mulder: “Sinds twee jaar zijn we niet meer een museum van de psychiatrie, maar een museum van de geest. We besteden niet alleen aandacht aan psychiatrische patiënten, maar aan de geest in het algemeen. Iemand met bijvoorbeeld een verstandelijke beperking wil vaak hetzelfde als wat we eigenlijk allemáál willen: een eigen huis, het gezellig hebben met je vrienden en iets doen waar je waardering voor krijgt.  Met een verstandelijke beperking heb je misschien moeite met bepaalde dingen, maar voor de rest ben je als iedereen.”

Het Dolhuys heeft als missie om vooroordelen aan de kaak te stellen. Vooroordelen over mensen die “anders functioneren dan doorsnee”, zoals Mulder het voorzichtig formuleert. Het is dan ook geen toeval dat we op dat moment langs een binnentuin lopen, waar houten borden staan met kreten als ‘Neuroot’, ‘Mafketel’, ‘Dit is te gek om los te lopen’ en ‘Het is hier een gekkenhuis.’

Die laatste uitdrukking mag de verslaggever ook wel eens gebruiken en Mulder is ook geen heilig boontje, maar, legt hij uit: “Er zijn maar weinig woorden die zoveel variaties kennen als het woord ‘gek’. Het zijn woorden die we vaak in de mond nemen, ook al zijn we ons niet bewust van de negatieve lading, en ook al hebben we niet de intentie om iemand die anders functioneert te stigmatiseren. Maar het zit zó in het dagelijks taalgebruik ingesleten.”

Het trolleybusstation van Willem van Genk. Foto: Dolhuys, museum van de geest.

Stigma’s

Vooroordelen en stigma’s zijn van alle tijden, weet Mulder. “Nog steeds lopen mensen met een verleden in de psychiatrie, of met een verstandelijke beperking, tegen allerlei hindernissen aan als ze mee willen doen in de maatschappij. Dat geldt zelfs voor mensen met een lichtere aandoening, zoals een burn out, wat toch een heleboel mensen overkomt.”

“Of neem mensen met een psychose,” vervolgt hij, “wat vaak negatief in het nieuws komt. Dat wekt meteen de associatie met een verwarde man die met een mes loopt te zwaaien. Maar dat zijn uitzonderingen; in negen van de tien gevallen gaat het wèl goed. Toch wordt nog vaak gedacht: ééns gek, altijd gek, terwijl je ook van vrij ernstige psychiatrische aandoeningen kunt herstellen. En vervolgens weer goed kunt meedraaien in de samenleving.”

Om die vooroordelen te bestrijden, worden in het museum veel persoonlijke verhalen verteld. “Als je iemand  ontmoet, ook al is dat in beeld en geluid, is dat vaak de beste manier om een stigma te bestrijden. Het maakt meteen duidelijk dat iemand toch niet zoveel anders is dan jij.”

Dwangstoel uit de negentiende eeuw. Foto: Dolhuys, museum van de geest.

Labyrinth

Intussen dwalen we door het oude gebouwencomplex, dat inmiddels Rijksmonument is. Het is een labyrinth van ruimtes, ooit begonnen als een paar losse gebouwen, die in de loop der eeuwen aan elkaar zijn geklonterd. De verbouwing, waarbij de ingang onder andere naar een andere plek wordt verplaatst, zodat het museum bezoekende groepen beter kan ontvangen (de huidige ingang is knus, maar krap), is mede bedoeld om het museum aantrekkelijker te maken. Maar de verbouwing wordt wel met respect voor het gebouw uitgevoerd, beklemtoont Mulder, want die kruipdoor-sluipdoor gangen en hoekjes zijn ook de charme van het gebouw. “Het is uniek dat dit gebouw zo lang in de oorspronkelijke staat bewaard is gebleven, en al die tijd een zorgfunctie heeft gehad.”

Het feit dat het museum een bredere doelstelling krijgt, wil overigens niet zeggen dat er geen aandacht aan de geschiedenis van de psychiatrie wordt besteed. Zo bezit het museum een dwangstoel uit de negentiende eeuw, die vanwege de verbouwing even niet te zien is, maar die wèl model staat voor een dilemma in de geestelijke zorg. Mulder: “Het is een stoel met leren riemen, waarin je helemaal kan worden vastgezet. Het oogt als een marteltuig en vaak roept het bij bezoekers de reactie op van:  ‘Goh, wat erg’en ‘wat zielig’.

Eens gek, altijd gek. Foto: Dolhuys, museum van de geest.

Dwangstoel

Maar zielig of niet, tegelijkertijd staat die dwangstoel model voor een – in de negentiende eeuw – nieuwe en humane manier van omgaan met mensen die je niet op een andere manier tot rust kunt brengen. “Vroeger werden mensen in een cel aan de ketting gelegd; op veel plekken in de wereld gebeurt dat nog steeds.”

Gelukkig is er tegenwoordig véél meer aandacht voor hoe je iemand in een crisissituatie tot rust kunt brengen; hoe je de-escalerend kunt optreden. “Nog steeds is het  toepassen van dwang bij iemand die niet meer hanteerbaar een actueel thema in de psychiatrie. Maar een belangrijk verschil met vroeger is dat mensen nu beter juridisch beschermd zijn. Het onder dwang ingrijpen is aan allerlei restricties gebonden, het kan pas in het uiterste geval en het wordt achteraf ook nog eens getoetst.”

En dan staan we in een vertrek met een wonderlijk bouwsel van de in 2005 overleden kunstenaar Willem van Genk, die het trolleybusstation van zijn geboorteplaats Arnhem heeft nagebouwd. De trolleybussen worden met elkaar verbonden door een wirwar van draden, die energie uit de lucht oppikken en vervolgens naar de trolleybussen geleiden.

Tekening van een verstelbare dwangstoel. Foto: Dolhuys, museum van de geest.

Van Genk maakte het trolleybusstation op een kamertje bij zijn zuster in Den Haag, waar hij zijn eigen universum had. En waar hij zijn schilderijen maakte, waarvan er in dezelfde ruimte ook een paar zijn te zien. Schilderijen waaraan je niet af kunt zien dat hij een groot deel van zijn leven in psychiatrische inrichtingen en sociale werkplaatsen doorbracht. Aan de wand hangt een scherm waarom fragmenten worden vertoond uit interviews met deze kleurrijke man, die bijvoorbeeld vol smaak vertelt hoe hij wraak nam op een nare verslaggever van Brandpunt, die hem eens interviewde. Waarop er niets anders op zat dan hem in – in een kunstwerk, dat wèl – onder een trein te laten komen. Ja, met Van Genk kon je lachen.

We eindigen de rondleiding in een ruimte waar je deurtjes kunt openen en vervolgens kunt luisteren naar persoonlijke verhalen. Mulder: “Vaak vertellen mensen over hun strijd en dat ze uiteindelijk zijn hersteld; die veerkracht komt in veel verhalen terug.”

Het Dolhuys organiseert rondleidingen en elke donderdagavond is er een programma met de ene keer een film of een pubquiz en de andere keer een theatervoorstelling of een boekpresentatie. Je kunt je ook voor een maaltijd opgeven. Zie hier voor meer informatie.

Auteur: Arnoud van Soest.