De reddingmaatschappijen in Nederland

Eeuwenlang werd de Nederlandse kust met haar vele zandbanken en woeste grondzeeën door de langsvarende schepelingen geducht. Harde stormwind deed veel zeilschepen aan lager wal raken (de oever waar de wind op staat zodat het schip geen wind in de zeilen kreeg en dus stuurloos werd) waarna zij met man en muis vergingen.

Uitgelokte strandingen

Voor de meestal straatarme kustbewoners betekende de stranding van een schip een welkome afwisseling en de lading een belangrijke aanvulling op het inkomen. Omdat de lading pas verbeurd verklaard was als alle bemanningsleden waren omgekomen, gebeurde het dat overlevenden werden vermoord waarna het schip werd geplunderd. Soms lokte men schepen zelfs naar de kust tijdens woeste stormen door grote vuren op de duinen te stoken. Hierdoor dacht de bemanning van het door de storm belaagde schip een veilige haven binnen te lopen en zo de storm te mijden. Maar het schip strandde op de kust, met alle rampzalige gevolgen van dien.

Strandvonder

De overheid probeerde al in de zestiende eeuw aan deze praktijken een eind te maken door strenge verordeningen. Zo werd een strandvonder aangesteld om toezicht te houden op goederen die aanspoelden op het strand en stonden zware straffen op het jutten. Toch hielpen deze maatregelen niet, de kustbevolking was buitengewoon inventief in het ontlopen van de strandvonder om het jutten van waardevolle spullen en het plunderen van scheepswrakken voort te zetten. Pas aan het eind van de achttiende eeuw werden pogingen ondernomen om hulp te bieden aan de overlevenden van scheepsrampen en om reddingboten te stationeren langs de kust.

Notabelen richtten reddingmaatschappijen op

De stranding van het schip ‘De Vreede’ op 14 oktober 1824, waarbij een aantal dappere kustbewoners omkwam tijdens een reddingspoging, vormde de directe aanleiding tot de oprichting van twee reddingmaatschappijen. In Amsterdam werd door vijf notabelen de Noord- en Zuid-Hollandsche Redding-Maatschappij opgericht (NZHRM, ook wel bekend als ‘de Noord’). In Rotterdam ontstond de Zuid-Hollandsche Maatschappij tot Redding van Schipbreukelingen (ZHMRS, ‘de Zuid’). Het werkterrein van ‘de Noord’ besloeg de Noordzeekust boven Ter Heijde (net boven Hoek van Holland), inclusief Waddengebied en IJsselmeer, dat van ‘de Zuid’ besloeg de Noordzeekust tot en met Ter Heijde. In 1949 kregen zij bij hun 125-jarig bestaan het predicaat ‘Koninklijke’. In 1990 werd besloten tot een fusie van beide maatschappijen: de krachten werden in 1991 gebundeld in de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM). Hun geschiedenis is sinds 2003 verbeeld in het Nationaal Reddingmuseum ‘Dorus Rijkers’ op de Oude Rijkswerf Willemsoord in Den Helder. Het museum is vernoemd naar de beroemdste reddingwerker die Nederland heeft gekend: Theodorus (Dorus) Rijkers  (1847-1928).

De reddingboot Insulinde.

Eén van de historische reddingboten van het Reddingmuseum.

De reddingboot Insulinde.De reddingboot Insulinde.

Roeireddingboten

Beide maatschappijen werden gerund door vrijwilligers, die ervoor zorgden dat in 1825 al 20 reddingstations operationeel waren. Tot 1895 waren alleen roeireddingboten beschikbaar, die met acht of tien paarden de zee in werden getrokken. Met een vliegende storm geen gemakkelijk karwei; soms lukte het niet om met de roeireddingboot door de branding te komen. Vaak braken de roeiriemen door de enorme kracht van het water. Bij ‘de Zuid’ werd in 1895 de eerste stoomreddingboot in gebruik genomen in Hoek van Holland. Een enorme verbetering, omdat met een machinaal aangedreven reddingboot veel verder kan worden gegaan dan met een roeireddingboot.

Zelfrichtende reddingboten

Al rond 1850 zocht men naar technieken om reddingboten ‘zelfrichtend’ te maken om de veiligheid van de reddingboten te vergroten. Een zelfrichtende boot kan zichzelf weer omdraaien als hij omslaat. Dit gebeurt meestal door het inbouwen van een aantal luchtkamers om het drijfvermogen te vergroten en een watertank, die volloopt als de boot omslaat waardoor hij ‘doordraait’.

Competitie van reddingstations

Tussen de verschillende reddingstations groeide al snel een sportieve vorm van competitie: de drang om zo veel mogelijk succesvolle reddingen te verrichten. ‘Beter honderd maal een vergeefse tocht dan éénmaal de kans op een geslaagde redding verspelen’, is het motto. Door de reddingstations worden nog steeds lijsten bijgehouden waarop het aantal geslaagde reddingen en geredden worden geschreven. Volgens opgaaf van de KNRM zijn vanaf de oprichting in 1824 tot en met 1998 door de redders van de KNRM in totaal ruim 48.300 mensen gered. De KNRM beschikt momenteel over 39 reddingstations met ongeveer 60 reddingboten, die worden bemand door 11 vaste bemanningsleden en circa 600 professionele varende vrijwilligers.

Watersporters

Waren het vroeger meestal koopvaardijschepen die hulp nodig hadden, tegenwoordig wordt vooral uitgevaren voor watersporters die in de problemen zijn geraakt. Langs de Noordzeekust komt men regelmatig in actie voor surfers die afdrijven richting zee. Ook het IJsselmeer is een verraderlijk water waar veel zeiljachten in moeilijkheden raken bij een plotseling opkomend noodweer. Naast drenkelingen worden ernstig zieke en gewonde mensen van boord gehaald door reddingboten, als het schip waarop ze zich bevinden niet snel genoeg een haven kan binnenlopen voor hulp. In 2002 werden 2994 mensen en 63 dieren in veiligheid gebracht tijdens 1481 dienstverleningen. Het grootste aantal reddingen vond plaats op de Waddenzee.

Dit verhaal maakt deel uit van de campagne Werelderfgoed.
Klik hier om terug te gaan naar het thema De Waddenzee.

Publicatiedatum: 17/01/2011

Aanvullingen

Vul deze informatie aan of geef een reactie.

Plaats een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vereiste velden zijn gemarkeerd met *. Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.