Andijk

Van bollenschuur tot kangoeroewoning

De wandelende huisjes van Andijk

Water, overal water. In de nacht van 13 op 14 januari 1916 raasde er een grote storm over Nederland waardoor verschillende delen van Noord-Holland blank kwamen te staan en veel schade aanrichtte. Eén van de plaatsen waar de woeste golven van de Zuiderzee erg dichtbij kwam, was het liefelijke dorpje Andijk. De dijk hield het hier wonder boven wonder door het werk van dijkwachten en dorpsbewoners, maar daar was dan ook alles mee gezegd. Er waren grote herstelwerkzaamheden en verbeteringen nodig om te voorkomen dat dit nog eens zou gebeuren. Maar hoe pak je dat aan? Hoe houd je iedereen veilig voor het onbetrouwbare water? Nou, gewoon, door het hele dorp 200 meter te verplaatsen.

>

Van bollenschuur tot kangoeroewoning

Een strakblauwe lucht, een buitenthermometer wijst 26 graden. Op de grasgroene, hoge dijk hijgt hier en daar een schaap. In een rustig hoekje van het dorp achter deze Westfriese Omringdijk staat een schilderachtige stolp strak en kantig in het harde licht van de voorjaarszon. Een verzorgde moestuin en een tuin vol bloeiende planten flankeren het rietgedekte puntdak. Twee blonde meisjes spelen op het kort gemaaide grasveld.

>

Water als vriend en vijand

Als je op een zonnige zomerdag achter de IJsselmeerdijk op de basaltblokken zit en de zon spiegelt in het water, dan is er geen vrediger beeld denkbaar. Maar toen in de nacht van 13 op 14 januari 1916 met hoogtij en windkracht 10, het zoute water over de dijk spoelde, dreigde datzelfde water met zijn allesverwoestende kracht het dorp Andijk te verzwelgen. Dat water heette toen nog Zuiderzee.

Dankzij de niet aflatende inspanningen van iedereen die maar een spade kon vasthouden en een dijkdoorbraak bij de Anna Paulowna- en Waardpolder, waardoor het waterpeil zakte,  kon in de vroege morgen van 14 januari toen de wind afnam, met een zucht van verlichting de schade in ogenschouw worden genomen en was het meeste gevaar geweken.

Het was voor velen een angstige nacht geweest. Diverse boeren en tuinders hadden hun belangrijkste bezittingen al in hun polderschuit geladen om, als het water bezit van het land zou nemen, tijdig met vrouw en kinderen te kunnen vluchten. Zover is het gelukkig niet gekomen. Met zandzakken en grote zeilen die op en over de dijk gelegd werden wist de dappere bevolking een dijkdoorbraak te voorkomen. Het was vooral de binnenkant van de dijk die door het overspoelende water verzwakte en dus van binnenuit dreigde door te breken.

>