03 juli 1835

Soeploodsoproer

Het was 3 juli 1835 toen ongeveer zestig schutters om de soeploods stonden en de daarin opgeslagen inboedel bewaakten. De soeploods werd in de winter gebruikt als uitdeelplaats van eenvoudige Rumfordse soep aan de armen. De lucht betrok en een zomerse regenbui bewoog de schutters om binnen te schuilen. Even letten ze niet meer op de straten buiten, hét moment voor een boze menigte om zich rondom het gebouw te verzamelen. Ze hadden duidelijk kwaad in de zin en stonden klaar om de soeploods in brand te steken. Met behulp van de terpentijn van een apotheker stond het gebouw binnen de kortste keren in vuur en vlam. De schutters moesten verrast vluchtten.

Het Soeploodsoproer, ook wel belastingoproer, van 1835 ontstond naar aanleiding van de invoering van een onroerendgoedbelasting, die huizenverhuurders niet konden verhalen op de vaak arme bewoners (huurders). De overheid toonde geen compassie met huurders noch verhuurders. Er moest betaald worden, anders werd er overgegaan op beslaglegging. De huisjesmelkers, notabele huiseigenaar en huurders, sloten de handen ineen en vormden een coalitie. Ze kwamen een weduwe en eigenares van verschillende huisjes te hulp, toen er beslag werd gelegd op de inboedel van haar garen- en bandwinkel. Haar inboedel zou geveild worden en werd opgeslagen in een soeploods, de soeploods die op 3 juli 1835 in vlammen op ging. Hulptroepen uit Den Haag rukten uit. Na de brand volgden nog twee weken vol ongeregeldheden.

Uiteindelijk werden de aanstichters van het Soeploodsoproer gestraft met jaren tuchthuis en kon de burgemeester een andere baan gaan zoeken. De loods werd herbouwd en deed tot 1907 dienst als verkooplokaal voor meubelen. Nu is het een vredige kinderspeelplaats op de Herenmarkt in Amsterdam.

Gerelateerd artikel

Opstandige huisjesmelkers steken loods in de fik