05 oktober 1641

Potvis aangespoeld bij Callantsoog

Aangespoelde walvissen en potvissen leverden vroeger veel bekijks op. De reusachtige zeewezens waren niet alleen imposant om te zien, maar werden ook gebruikt voor hun witte amber, die verwerkt werd in kaarsen en parfumerieartikelen.

‘In de Chronyk van de Stad Medemblik door Dirk Burger van Schoorel, gedrukt bij Timotheus ten Hoorn, Boekverkooper in de Nes, in ’t Zinnebeeld naast de Brakkegrond, 1710, staat onder de rubriek Callantsooge op blz. 286 vermeld: 1641. Den 5 October is alhier op de Strant van Callantsooge een Walvis gestrand en aangespoelt (die Mecrocephale genaamd wierde) ontrent het buizegat, hij was lang 68 voeten, hij spoog veel vet op strand. Die hem kogte, wiste de hersenen daar uit te halen, die al te malen als honigraten aan malkander lagen, die hij rafineerde met een looge van kalk gemaakt, en doe hadde hij de schoonste Sparma Ceti, die men in de Apoteek kon vinden, en kreeg daar zeer veel gelt van.

De Enkhuyser Almanack op ’t jaar onses Heeren Jesu Christi, 1745 geeft een beknopter mededeeling met een geringe vervroeging van den datum: 1641. Den 4 October quammer een levendige Potvis op de Oogmer strant drijven, de welcke veel smeer uitspoogh, hij was 68 voeten langh.’

De grondwet, 16 maart 1937

Gerelateerd artikel

‘Een land druipende van walvisch traan’