19 juni 1911

Het Hoornse Taartarrest

In september 1910 werd bij de familie Markus aan de Grote Oost in Hoorn een vergiftigde taart bezorgd. Het beoogde slachtoffer Willem Markus overleefde de aanslag. Voor zijn vrouw werd de taart echter fataal, zij overleed in de nacht daarop. Het 14-jarige dienstmeisje werd ernstig ziek. Deze gebeurtenis in Hoorn zou niet alleen ingrijpend zijn voor de familie van het slachtoffer, maar ook voor de Nederlandse rechtspraak.

Willem Markus en Johannes Jacobus Beek waren vanaf 1901 gemeentebode en marktmeester bij de gemeente Hoorn. Tijdens een ziekteperiode van Markus nam Beek uit een kastje in de bodekamer geld weg. Toen Markus weer aan het werk ging, kwam hij erachter dat Beek geld had achtergehouden. Hij vertelde het aan zijn meerderen, waarop Beek in 1907 ontslagen werd. Beek zon op wraak. Hij stopte rattenkruid (arsenicum) in een taart en liet de taart anoniem bij Markus bezorgen voor zijn 84e verjaardag. Markus zelf besloot niet van de taart te eten, maar zijn vrouw Maria Musman en het dienstmeisje wel – met tragische afloop. De politie kwam vrij snel op het spoor van de dader en arresteerde Beek, die daarop een bekentenis aflegde. Aanvankelijk veroordeelde de rechtbank Beek tot 10 jaar gevangenisstraf wegens doodslag, maar in hoger beroep werd dit vonnis gewijzigd in moord en poging tot moord, omdat Beek zich bewust was van de consequenties van zijn actie. Het gevolg was levenslange gevangenisstraf. Deze uitspraak werd op 19 juni 1911 bevestigd door de Hoge Raad en staat tegenwoordig bekend als het ‘Hoornse Taartarrest’. Sinds deze zaak ligt in de Nederlandse rechtspraak het principe van ‘voorwaardelijk opzet’ vast. Het Hoornse Taartarrest is hierom een begrip in de juridische wereld geworden. Beek overleed in 1918 in de gevangenis van Leeuwarden.

Gerelateerd artikel

Het Hoornse Taartarrest