10 augustus 1566

Beeldenstorm

Door vervolgingen van protestanten was het al een tijd lang onrustig in de Nederlanden. Op 10 augustus 1566 barstte de bom, toen toehoorders in Steenvoorde, een dorp in Zuid-Vlaanderen, na een hagenpreek het nabijgelegen klooster binnendrongen en de heiligenbeelden vernielden. Deze gebeurtenis markeerde het begin van de Beeldenstorm, waarin wekenlang katholieke kerken en kloosters door de hele Nederlanden geplunderd en verwoest werden.

Renaissance, humanisme en de ontdekking van nieuwe continenten brachten in de zestiende eeuw een omwenteling in het denken teweeg. Theologen als de Duitse Maarten Luther (1483-1546) en de Fransman Johannes Calvijn (1509-1564) pleitten voor een hervorming van het geloof. Ze leverden kritiek op de rijkdom van de kerk, de heiligenverering, de geestelijkheid en haar hiërarchie, op het gebruik van overbodig ritueel en onverstaanbaar Latijn tijdens de diensten. Ze stimuleerden gelovigen om zélf de Bijbel te lezen, te bidden en vroom te leven. Dankzij de boekdrukkunst, die in 1445 was uitgevonden, konden hun ideeën in grote oplagen gedrukt en verspreid worden. Vooral Calvijn kreeg veel volgelingen in Nederland. Zijn aanhangers hielden zogenaamde ‘hagenpreken’ in de buitenlucht. Zowel de katholieke kerk als de Spaanse koning Filips II, heer der Nederlanden, zagen deze ontwikkelingen met lede ogen aan. Ze gingen over tot steeds strengere vervolgingen van de opstandelingen. De onvrede hierover leidde in 1566 tot de Beeldenstorm. Katholieke kerken door het hele land werden geplunderd en ‘gezuiverd’ van altaren, heiligenbeelden en andere onnodige opsmuk. Dit kan gezien worden als het begin van de Opstand tegen het Spaanse landbestuur. De Unie van Utrecht (1579), die na ruim tien jaar strijd tot stand kwam, garandeerde dat niemand meer om zijn geloof vervolgd zou worden.

Foto: Frans Hogenberg, Vernieling van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal te Antwerpen op 20 augustus 1566. Collectie Kunsthalle, Hamburg.

Gerelateerd artikel

De Pietà van het Geertruidenklooster