06 maart 1795

Afschaffing galgenvelden

Al in 1360, toen de landtong van de Volewijck nog niet in handen was van de stad Amsterdam, werd het gebied gebruikt als galgenveld. De plek was strategisch gekozen. Vanaf het IJ, destijds de belangrijkste vaarroute naar Amsterdam, was deze goed zichtbaar. Ook vanuit het centrum van de stad waren de bungelende lichamen te aanschouwen. Op deze manier werden de burgers en bezoekers van Amsterdam afgeschrikt.

Als het IJ in de winter dichtvroor, staken vele mensen met schaatsen en sleeën het water over om de lichamen te aanschouwen. Dit leverde de nodige toeristische exploitatie op. Zo werden er koek- en zopietentjes opgezet om de bezoekers te voorzien en werd in 1662 het Tolhuis opgericht, waar ook een herberg in gevestigd was. Veel ouders namen hun kinderen mee naar het galgenveld van de Volewijck, om aan hen te laten zien wat het inhield om ‘voor galg en rad op te groeien’.

In 1795 was het echter gedaan met het galgenveld op de landtong en de vele andere galgenvelden in Nederland. Na de uitroeping van de Bataafse Republiek verspreidde zich een proclamatie waarin deze vorm van vermaak rond doodvonnissen werd verboden. Volgens de nieuwe bestuurders van de republiek getuigde dit van een gebrek aan beschaving. Tegenwoordig staat op de plaats van het galgenveld de ADAM-toren, die van 1966 tot 2016 de Toren Overhoeks heette.

Gerelateerd artikel

Het Galgenveld in Amsterdam