31 januari 1696

Aansprekersoproer

Op 31 januari en 1 februari 1696 was Amsterdam in de ban van een korte, maar grote volksopstand. Het stadsbestuur had besloten tot een nieuwe regeling en belasting op het begraven. Particuliere aansprekers, of begrafenisondernemers, voelden zich bedreigd en begonnen onder de bevolking te stoken. De groeiende volkswoede ontaardde uiteindelijk in een serie zeer gewelddadige rellen waarbij enkele regentenwoningen werden geplunderd en vernield.

Het Aansprekersoproer, ook wel Biddersoproer, is een van de vele opstanden tegen de voortdurende verzwaring van de belastingdruk. Dit keer was een nieuwe accijns op begrafenissen vooral de aansprekers een doorn in het oog. Op 31 januari 1696 zou de nieuwe regeling in werking treden, maar de aansprekers die graag hun baan en inkomen wilden behouden staken daar een stokje voor. Ze begonnen het volk tegen de het stadsbestuur op te stoken door valse geruchten te verspreiden. Binnen de kortste keren kwam het volk in opstand. Een grote stroom opstandige Amsterdammers trok naar de Dam om te demonstreren. Later op de dag stond er een woedende menigte voor het huis van burgemeester Jacob Boreel aan de Herengracht. Na het huis van Boreel ging de aandacht uit naar de huizen van andere regenten. Om van het oproerige volk af te komen, gaf de schout aan al hun eisen toe. Maar de volgende dag ging het plunderen gewoon verder. Uiteindelijk werd de hulp van de schutterij ingeroepen om het oproer neer te slaan. Maar de aansprekers hadden hun doel bereikt: de nieuwe regeling voor het begraven werd niet doorgevoerd. Helaas hadden sommigen het met de dood moeten bekopen.

Gerelateerd artikel

Boze begrafenisondernemers bestormen burgemeesterswoning