13 februari 1941

Joodse Raad opgericht

Volgend op rellen tussen Duitse soldaten en Joodse knokploegen in de Amsterdamse Jodenbuurt, besloot de bezetter tot de oprichting van de Joodse Raad: een orgaan om de Joodse Amsterdammers te vertegenwoordigen. De bevoegdheid van de Raad spreidde zich al snel uit over heel Nederland.

De Joodse Raad van Amsterdam werd op 13 februari 1941 opgericht en zetelde in een pand aan de Nieuwe Keizersgracht 58. De Joodse Raad bestond uit notabele Joodse Amsterdammers, zoals Abraham Asscher en David Cohen. Zij hadden niet alleen persoonlijk belang bij hun taak (zo werden zij en hun familie voorlopig van transport uitgesloten), maar ook het idee dat ze hun minder gefortuneerde burgers door hun positie konden helpen. De Joodse Raad stelde namelijk lijsten op van personen die gedeporteerd werden. Naar werkkampen, zo dacht men nog. Het aantal personen werd door de Duitsers gedicteerd, maar de Raad had invloed op wie er wel en niet op de lijsten kwamen te staan. Er kwamen steeds meer afdelingen van de Joodse Raad bij en uiteindelijk kreeg de Raad, die was opgericht voor Amsterdam, feitelijk zeggenschap over heel Joods Nederland. Maar het mandaat van de Raad was niet van lange duur. In september 1943 werd de leiding naar het concentratiekamp Westerbork afgevoerd en hield de Raad daarmee op te bestaan.