25 januari 1907

Boerderij aan de Amstelveenseweg afgebrand

'Het klinkt als een dorpsverhaal, toch is het in onze groote stad gebeurt: Een landlooper, voor den kouden nacht beschutting zoekende in een hooiberg, heeft heden nacht, vermoedelijk door onvoorzichtigheid, brand gesticht in den hooiberg, die met de boerderij geheel in de vlammen is opgegaan. Deze boerderij, toebehoorende aan Frans Pol, staat nog net binnen de grens van onze stad, aan den Amstelveenschen weg, een heel eind voorbij de gevangenis en vak bij het kerkje de Buitenveldert.'

‘Omtrent half drie kwam de knecht van Pol van een uitvoering thuis. Op den weg zag hij brand in den hooiberg en tegelijkertijd een man, die ijlings vluchtte het land op, naar den kant van de stad. Hij liep zoo hard als hij maar kon het erf op, wekte zijn baas en de huisgenooten, de buren werden geroepen en met vereende krachten werden de koeien, een dertigtal, de paarden, de varkens den stal uitgedrevenen naar buurman gebracht. Dat was noodig. Want de vonken van hef brandende hooi hadden het rieten dak van den stal aangetast en spoedig stond ook deze in lichter laaie en verlichtte mede met zijn vlammen het sombere land, de naakte wilgen en het kerkje, in wiens glazen de vlammen weerkaatsten. .

Na den stal werd ook het woonhuis doorliet vuur aangetast, en toen de brandweer kwam aangerend zag zij reeds aan het begin van den weg, dat aan redding van een of ander niet te denken viel. De brandweer had dan ook een betrekkelijk gemakkelijke taak. Zij had alleen te zorgen, dat het vuur zich niet verder uitbreidde. En dat was gelukkig niet moeilijk. De boerderij stond geheel vrij. Er was geen wind, zoodat de vrees, dat ook het kerkje gevaar zou loopen, ongegrond bleek. Een stoomspuit werd het erf opgereden, en bij de Wetering, die er achter loopt, gezet. Met twee slangen nu werden de vlammen vau woonhuis, stal en schuur aangetast. Een groote en een kleine hooiberg liet men maar branden, daar hiertegen toch niets te doen was. Het was een prachtig gezicht, die brandende hooiberg. Het leek een ruïne in brand geschoten. Al dieper en dieper zag je het vuur den berg invreten en overal lekten kleine vlammetjes uit. üe berg bevatte 50.000 K.G. hooi. Veel bleef van stal en woonhuis niet over. De muren en wat verbrande balken. Waar nog pas het vee vreedzaam had gestaan zag je uu wat rookende balken met een enkel vonkje nog smeulende. Slechts enkele boeren uit den omtrek en wat nieuwsgierigen uit de stad, die in de verte den rossen gloed hadden gezien, zagen het schouwspel aan. Frans Pol was verzekerd.’

De Tijd: godsdienstig-staatkundig dagblad, 25 januari 1907