27 februari 1588

Beleg van Medemblik

Op 27 februari 1588 verzamelden de troepen van de Staten van Holland, onder leiding van prins Maurits, zich voor de poorten van het opstandige Medemblik. Het beleg zou tot en met 29 april duren, waarna de stad bij verdrag overging aan de belegeraars.

In 1588 was de Tachtigjarige Oorlog in volle gang. De noordelijke provincies van de Lage Landen kwamen in opstand tegen de Spaanse overheersing. Onder leiding van Willem van Oranje werd een groot Geuzenleger gevormd. Willems zoon Maurits, prins van Oranje, werd op zijn achttiende verjaardag stadhouder van Holland en Zeeland en later opperbevelhebber van het Staatse leger. Maar er was onenigheid onder zijn volgelingen. Diederik Sonoy, bevelhebber in Medemblik, weigerde een eed aan de nieuwe stadhouder af te leggen. Sonoy trok zich terug op kasteel Radboud en verzamelde een grote hoeveelheid soldaten en buskruit in de stad. Maurits en de Staten wantrouwden Sonoy en zagen zich genoodzaakt om Medemblik met geweld in te nemen.

Op 27 februari arriveerde Maurits voor Medemblik. Bemiddeling liep op niets uit en over en weer werd geschoten. De stad bood kranig weerstand aan de Staatse troepen. Ondertussen wachtte Sonoy op versterking uit Engeland, maar toen bleek dat die niet kwam, ging hij op 29 april voor een laatste maal met Maurits rond de onderhandelingstafel zitten. In het verdrag dat hieruit voortkwam werd bepaald dat Sonoy binnen Medemblik mocht blijven, maar wel met een gelimiteerde hoeveelheid soldaten. Sonoy was onder de Medemblikse bevolking echter zodanig gehaat, dat hij zich gedwongen voelde om zijn ontslag in te dienen. Met een som ‘jaargeld’ verhuisde hij naar een kasteel nabij het Groningse Pieterburen.