Van Ouds het Raadhuis (Overveen)

'Van Ouds het Raadhuis' in Overveen is een gebouw met een lang verleden. In de jaren vijftig en zestig bood het een tijdelijk onderdak aan mensen met een onzekere toekomst. Het was toen een opvangplaats voor pas aangekomen Indische Nederlanders. Zij waren gevlucht uit Indonesië, een land dat tot 1949 een Nederlandse kolonie was. Veel Indische Nederlanders zijn kinderen met een Nederlandse vader en een Ind(ones)ische moeder. In de koloniale tijd behoorden ze tot de groep Nederlanders. Die achtergrond bracht hen in het onafhankelijke Indonesië steeds meer in een hachelijke situatie. Ze vluchtten naar het oude moederland, een land waar de meesten van hen nog nooit geweest waren.

Overveen, tol met raadhuis en logement ‘Van Ouds het Raadhuis’.

Overveen, tol met raadhuis en logement 'Van Ouds het Raadhuis'.Overveen, tol met raadhuis en logement ‘Van Ouds het Raadhuis’.

Een oude herberg

Op de plek aan het einde van de Zijlweg, waar nu ‘Van Ouds het Raadhuis’ staat, stond in de vijftiende eeuw al een herberg. Hij werd in 1572 door geuzen in brand gestoken en kort daarna herbouwd. Deze herberg, ‘De Swaen’ geheten, was tot in de negentiende eeuw tevens de zetel van het plaatselijk bestuur. In de negentiende eeuw huurde de gemeente Overveen er tot 1845 een ruimte voor de vergaderingen van de gemeenteraad. De naam ‘Van Ouds het Raadhuis’ kwam toen in zwang. Als logement aan de voet van de fraaie Kennemerduinen genoot het een zekere faam. In 1905 is het verbouwd en kreeg het de vorm die het nu nog min of meer heeft.

Hotel/Logement ‘Van Ouds het Raadhuis’, juli 1907.

Hotel/Logement 'Van Ouds het Raadhuis', juli 1907.Hotel/Logement ‘Van Ouds het Raadhuis’, juli 1907.

Vluchtelingen in een onbekend moederland

De vestiging van de soevereine Republiek Indonesië had voor de daar wonende mensen met de Nederlandse nationaliteit ingrijpende gevolgen. Dat gold dubbel en dwars voor diegenen onder hen die officieel Nederlander waren, maar nooit of heel kort in Nederland woonden. Voor hen was Indië, dat in 1949 Indonesië werd, het geboorteland, het land waar ze thuis waren. Velen zagen desalniettemin in de nieuwe republiek geen veilige toekomst en gingen naar Nederland. Anderen bleven en namen zelfs de Indonesische nationaliteit aan. In de loop van de jaren vijftig liepen de spanningen tussen Nederland en Indonesië hoog op. Steen des aanstoots was Nieuw-Guinea, dat onder Nederlands gezag was gebleven. Die spanningen werden in Indonesië afgereageerd op de daar wonende Nederlanders en op anderen die ondanks hun Indonesische nationaliteit primair als Nederlander werden gezien en behandeld. In 1957 besloot de Republiek Indonesië dat alle Nederlanders dienden te vertrekken.
 
Veel Indische Nederlanders kregen spijt van hun keuze voor het Indonesiërschap en wilden nu alsnog naar Nederland vertrekken. Zij werden ‘spijtoptanten’ genoemd. Nederland stond, zacht gezegd, niet van ongeduld te trappelen om al deze vluchtelingen op te nemen, maar kon uiteindelijk niet onder zijn verantwoordelijkheid uit. In de loop van de jaren vijftig, maar ook nog in de jaren zestig (onder andere vanuit Nieuw-Guinea dat in 1963 aan Indonesië werd overgedragen) vestigden zich ongeveer 200.000 Indische Nederlanders in het lage land aan de Noordzee.

Contractpensions

Veel Indische Nederlanders hadden geen familie of vrienden die hen konden opvangen. Zij waren aangewezen op voorzieningen die de Rijksoverheid hun bood. Vaak kwamen ze voor kortere of langere tijd terecht in zogenaamde ‘contractpensions’. Dat waren over het gehele land verspreid liggende pensions waarmee de overheid contracten had afgesloten. Die contracten verplichtten deze pensions, uiteraard tegen betaling, huisvesting en voeding te geven aan Indische Nederlanders die de overheid daar plaatste. Die kosten, en vaak ook de kosten voor bijvoorbeeld nieuwe kleren, moesten de hulpontvangers aan de overheid terugbetalen zodra ze een eigen inkomen hadden. ‘Van Ouds het Raadhuis’ was vanaf 1950 tot (vermoedelijk) 1968 zo’n contractpension. Veel Indisch-Nederlandse families hebben vandaaruit voor het eerst kennisgemaakt met Nederland. Sommige van hen vonden hun eerste broodwinning in de vlakbij aan de Zijlweg gelegen Kousenfabriek Hin. Hoe lang de Indisch-Nederlandse families in een contractpension bleven, hing af van allerlei omstandigheden. Behalve met het vinden van een baan had dit ook te maken met het vinden van zelfstandige huisvesting. Dat was in die jaren niet gemakkelijk, in Nederland heerste een grote woningnood. Het hielp wel dat er een regeling bestond die de Nederlandse gemeenten verplichtte vijf procent van de nieuwe woningen aan te bieden aan Indische Nederlanders. Bij het acclimatiseren in Nederland werden deze nieuwkomers begeleid door maatschappelijk werkers. Ook hun oordeel of de families op eigen benen zouden kunnen staan, speelde een rol bij de vraag hoe lang een gezin in een contractpension bleef. Voor sommigen duurde het verblijf daarom niet langer dan een maand of twee, voor anderen kon die verblijfsduur wel oplopen tot twee jaar.

Bronnen

* R.W. Hilarius, ‘Het hotelpand “Van Ouds het Raadhuis” te Overveen’, in: P. v.d. Brink red., Haarlem in veelvoud. Opstellen over de geschiedenis van Haarlem en omgeving, geschreven ter gelegenheid van het vijftienjarig bestaan van de Historische Werkgroep Haarlem (Haarlem 1989), pp. 50-58.
* C.W.D. Vrijland, ‘Van Ouds het Raadhuis’, in: Ons Bloemendaal (1977, nr. 3), pp. 37-42.
Wim Willems en Leo Lucassen red., Het onbekende vaderland. De repatriëring van Indische Nederlanders (1946-1964) (Den Haag 1995).
Wim Willems, De uittocht uit Indië 1945-1995 (Amsterdam 2001).

* Ter inzage in de bibliotheek van het Noord-Hollands Archief.Dit is een routepunt van de fietsroute Migranten in Haarlem en Kennemerland.

Publicatiedatum: 11/12/2010