Verhalen

West-Friesland: handel en scheepvaart

In september 2010 werd in het Westfries Archief het oudste aandeel van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) gevonden. Het was in 1606 uitgegeven door de VOC-kamer in Enkhuizen. De West-Friese havensteden speelden een grote rol in de (inter)nationale handelsvaart van die tijd.

>

Noordkop: de Rede van Texel

Vanaf eind 2011 is het panorama van de Rede van Texel permanent te bewonderen in het nieuwe entreegebouw van Kaap Skil, museum van jutters & zeelui in Oudeschild op Texel. De beschutte ankerplaats aan de zuidoostkant van het eiland vormde voor de Nederlandse vloot in vroegere eeuwen de poort naar de wereld.

>

Ouderkerkerplas

Het was eigenlijk niet de bedoeling dat de Ouderkerkerplas nu nog bestaat. Maar gelukkig voor de watervogels die er ’s winters neerstrijken en de honderdduizenden zomerse recreanten is die plas niet gedempt. Ouder-Amstel moest niet alleen brede snelwegen (A2, A9) in de gemeente tolereren, maar moest ook het zand leveren. Zo ontstond deze plas.

>

Nuestra Casa Nostra (Beverwijk)

Aan de Dr. Schuitstraat, een rustige straat nabij het centrum van Beverwijk, staat op nr. 13 een kantoorgebouw van bescheiden omvang. Het naambord naast de deur vertelt ons dat daar de Stichting Multiple Choice, bureau voor multiculturele vraagstukken in Noord-Holland, gehuisvest is. Multiple Choice bemoeit zich dus met het wel en wee van nieuwe Nederlanders en hun nakomelingen. Dit werk aan de Dr. Schuitstraat begon op 8 februari 1958. Op de foto ziet u dat daar op die dag de Italiaanse vlag gehesen werd. Die vlaghijsing markeerde de feestelijke opening van een houten gebouwtje, zeg maar: een keet. Die keet droeg de zeer welluidende naam ‘Casa Nostra, Centro di Assistenza Sociale e di Cultura con sala di ricreazione’. Uiteraard sprak men kortweg van ‘Casa Nostra’, oftewel Italiaans voor ‘Ons Huis’. In dit Casa bood de katholieke kerk opvang en begeleiding aan de eerste grote groep naoorlogse gastarbeiders. Het waren Italianen die sinds februari 1956 in steeds groter aantallen werkten bij de Koninklijke Hoogovens en Staalfabrieken.

>

Gastarbeiders bij Hoogovens (Velsen)

Sinds de fusie met British Steel in 1999 noemde het bedrijf zich Corus en sinds 2007 is het Tata Steel, maar het is nog wijd en zijd bekend als Hoogovens. Als een van de grootste industriële bedrijven van Nederland was deze Velsense gigant ook een van de eersten die in 1956 groepen ‘gastarbeiders’ naar ons land haalden. Tot 1964 waren dat voornamelijk Italianen en Spanjaarden. Bedoeld om te voorzien in een voorbijgaand tekort op de arbeidsmarkt zou hun verblijf in Nederland tijdelijk zijn. Dat dacht men tenminste in die jaren. Inmiddels weten we dat de praktijk meestal anders was. Voor hun tijdelijke verblijf had Hoogovens een origineel onderkomen bedacht. Tegen de noordelijke kade van het Binnenspuikanaal meerde men een oud passagiersschip af, de Arosa Sun, later gevolgd door een hotelboot, de Casa Marina. Inmiddels zijn deze ‘woonboten’ allang weer vertrokken, maar vele autochtone en allochtone bewoners van IJmuiden en Velsen bewaren er nog levendige herinneringen aan.

>

Engelse graven bij de Engelmunduskerk

Op de dekplaat van een van de graven naast de Engelmunduskerk in Velsen-Zuid is deze tekst uitgebeiteld: ‘In memory of John Shaw, foreman of excavators Amsterdam canal works, born at Sheffield, Yorkshire, England, september 5th 1812, died at Velsen april 10th 1867, aged 54 years’.

>

Van Ouds het Raadhuis (Overveen)

‘Van Ouds het Raadhuis’ in Overveen is een gebouw met een lang verleden. In de jaren vijftig en zestig bood het een tijdelijk onderdak aan mensen met een onzekere toekomst. Het was toen een opvangplaats voor pas aangekomen Indische Nederlanders. Zij waren gevlucht uit Indonesië, een land dat tot 1949 een Nederlandse kolonie was. Veel Indische Nederlanders zijn kinderen met een Nederlandse vader en een Ind(ones)ische moeder. In de koloniale tijd behoorden ze tot de groep Nederlanders. Die achtergrond bracht hen in het onafhankelijke Indonesië steeds meer in een hachelijke situatie. Ze vluchtten naar het oude moederland, een land waar de meesten van hen nog nooit geweest waren.

>

Kareol (Bloemendaal)

Op het grondgebied tussen de Boekenrodeweg, de Van Lennepweg en het Van Vollenhovenlaantje in Aerdenhout stond, tot 1979, het landgoed Kareol. Daarvan zijn nu nog onder andere de vijver en een robuuste pergola de stille overblijfselen. De naam Kareol verwijst naar de gelijknamige burcht in de opera Tristan und Isolde van Richard Wagner. Kareol werd tussen 1908 en 1911 gebouwd door de Amsterdamse koopman, bankier en voorzitter van de Wagnervereniging Julius Carl Bunge. Bunge was de kleinzoon van een Duitse immigrant en zijn echtgenote, Lotte Meisner, was Duitse. In de korte geschiedenis van Kareol speelden migranten, vooral Duitsers, een belangrijke rol.

>

Luciaklooster (Bennebroek)

In het hartje van Bennebroek bevindt zich, sinds 1920, het Luciaklooster van de Zusters Franciscanessen. Het gebouw staat er echter al sinds 1896. In dat jaar bouwden de Soeurs du Sacré Coeur (in het Nederlands: de Zusters van het Heilig Hart) er een ‘pensionaat’. De pastoor van de Bennebroek had deze ‘Soeurs’ naar zijn parochie gehaald voor het verzorgen van katholiek lager onderwijs. De hoofdtaak van de Soeurs lag niettemin op een ander terrein. Hun kloosterorde hield zich in de eerste plaats bezig met het opvoeden van meisjes uit de gegoede katholieke burgerstand. Die opvoeding vond plaats binnen de muren van een kostschool. Zo kreeg Bennebroek niet alleen een katholieke dorpsschool, maar ook een Frans-katholieke dameskostschool.

>

Linnaeus (Bennebroek/Heemstede)

Het doen en laten van ‘grote mannen’ was eens het overheersende genre in de geschiedschrijving. Grote mannen waren staatslieden, veldheren of beroemde geleerden. De Zweedse plantkundige Linnaeus behoort zonder twijfel tot deze laatste groep. We weten daarom betrekkelijk veel over hem. Linnaeus bracht drie jaar van zijn leven door in Nederland, op de buitenplaats De Hartekamp.

>

Instituut Pollatz in Haarlem

Aan het Westerhoutpark in Haarlem dreef een Duits lerarenechtpaar in de jaren 30 en 40 een kostschool voor kindervluchtelingen uit Nazi-Duitsland.

>

Mariastichting (Haarlem)

Wat heeft Bismarck te maken met het voormalig rooms-katholieke ziekenhuis de Mariastichting aan de Kamperlaan? Indirect veel. Bismarck, kanselier van het koninkrijk Pruisen, ontketende in 1871 de zogenaamde ‘Kulturkampf’, in het Nederlands: ‘cultuurstrijd’. Pruisen had in de voorafgaande jaren grote delen van het Duitse rijk aan zich onderworpen. Bismarck wilde de interne eenheid van dit nieuwe rijk versterken. Het doelwit van deze strijd was vooral het katholieke volksdeel. Dit werd ervan verdacht eerder trouw te zijn aan Rome dan aan Berlijn. Nieuwe wetten beperkten de invloed van de katholieke kerk op het openbare leven. Eén slachtoffer daarvan was een franciscaanse zustergemeenschap in het Westfaalse stadje Salzkotten. Die gemeenschap mocht zich niet meer bemoeien met onderwijs en zocht nu een uitwijkplaats voor haar leden. Ze vond die onder andere in Nederland. Na zich eerst in enige andere plaatsen te hebben gevestigd, kwamen de zusters in 1885 ook naar Haarlem. Daar legden ze zich toe op verpleging van zieken.

>

Krelage’s Bloemhof (Haarlem)

Tussen de Kleine Houtweg en het Spaarne lag de bloemisterij van de firma Krelage. Het bedrijf droeg de naam ‘de Bloemhof’. De bloemisterij is allang volledig verdwenen. Ter plaatse herinneren nog de straatnamen Krelagestraat, Bloemhofstraat en Wintertuinplein aan wat hier ooit in volle glorie te bewonderen viel. De oprichter van deze bloemisterij was Ernst Heinrich Krelage, een Duitse immigrant die in het jaar 1804 als achttienjarige jongeman in Haarlem arriveerde. Voor zover bekend bestaat er niet zoiets als ‘de Nederlandse droom’ als tegenhanger van ‘the American dream’. Bestond die wel, dan zouden we zonder reserve kunnen zeggen dat Ernst Krelage hem realiseerde. Zijn levensverhaal was een success story.

>