Interview met Aty Nijntjes

Aty Nijntjes, geboren in Zaandam, was zes jaar toen de Tweede Wereldoorlog begon. Ze woonde in hartje Zaandam en altijd dicht bij de Zaan. Iets wat Aty nog heel goed bij staat is het volgende: ‘Op een dag was er heel veel lawaai buiten, iedereen rende naar buiten. Twee vliegtuigen beschoten elkaar. Ik weet niet meer of het geallieerde of Duitse vliegtuigen waren. Dit gebeurde toen ik nog op de Oostzijde woonde. In 1942 overleed mijn vader en verhuisden mijn opa, moeder, zussen, broer en ik naar de Beethovenstraat. Mijn vader was makelaar dus we hadden het niet slecht. In het huis aan de Oostzijde zat een grote kelder waar mijn vader voor ons had gehamsterd. Er lagen bijvoorbeeld allemaal Edammerkazen. Dit namen wij allemaal mee naar ons nieuwe huis.’

Boot van beurtschipper Dirk Couwenhoven, Westzaan 1940.

Gemeentearchief Zaanstad

Boot van beurtschipper Dirk Couwenhoven, Westzaan 1940.Boot van beurtschipper Dirk Couwenhoven, Westzaan 1940.

Aty Nijntjes neemt een hap van haar gebak en vertelt ondertussen: ‘Ik heb thuis nooit echt honger gehad maar wel trek. Wij hadden de mazzel dat we een oom en tante op Texel hadden wonen. Zij stuurden voedselpakketten naar ons toe die dan door een beurtschipper naar ons toe werden gebracht.’ Ik kijk Aty een beetje vragend aan: een beurtschipper, daar heb ik even uitleg bij nodig. Aty begint lachend te vertellen: ‘De beurtschipper is eigenlijk een klein vrachtbootje dat van Texel naar Zaandam voer en natuurlijk weer terug. Mijn oom en tante hadden een grote boerderij met paarden en heel veel eten. Mijn oom deed dan het eten in een kist met een berichtje erbij en bracht dat naar het vrachtbootje. Eigenlijk waren het helemaal geen oom en tante van ons maar was tante Alie een goede vriendin van mijn moeder. Tante was ook Doopsgezind en mijn moeder ging van jongs af aan al bij tante logeren. Als de beurtschipper in Zaandam aankwam dan kwam er iemand van dat bootje bij ons aan de deur om te zeggen dat wij de kist konden ophalen.’Ik vraag aan Aty of er een gebeurtenis is waar zij nog steeds de rillingen van krijgt of nare gedachten aan over heeft gehouden. Meteen begint zij in rap tempo te vertellen: ‘Op een gegeven moment was er een overloper doodgeschoten door het verzet. Half Zaandam werd afgesloten want de Wilhelminabrug werd opengezet. Van de Bloemgracht tot het Kattengat moesten alle mensen hun huis uit en op de Burcht gaan staan. De Burcht is een groot centraal plein naast het oude stadshuis. Veel mannen verstopten zich want zij waren bang dat ze moesten werken in Duitsland. Mijn buurman bijvoorbeeld had zich ook onder de vloer verstopt. Wij hadden onder de vloer alleen koper verstopt. Dit moest je inleveren zodat de Duitsers daar kogels van konden maken maar wij verstopten dat. Mijn opa wilde niet mee naar de Burcht maar hij moest, dus hij ging naar de Burcht in zijn ondergoed, dat was destijds een soort van witte lange legging. Alle mannen moesten met hun rug tegen het stadhuis aan staan. Veel mannen werden meegenomen maar werden gelukkig ’s avonds weer losgelaten. Mijn opa en broer hoefden niet mee hoor, die waren te oud en te jong. Mijn moeder en ik bleven op de hoek staan zodat we ook naar ons huis konden blijven kijken. Iedereen moest namelijk de deur van het huis open laten staan, de Duitsers gingen kijken of er mannen verstopt waren en zochten ook naar verboden goederen. Toen we naar buiten moesten heb ik snel in het vuurduveltje, een klein kacheltje, alle verzekeringspapieren, bonnen, verzetkrantjes en de portemonnee van mijn moeder gegooid. Het kacheltje brandde toen niet hoor! De Duitsers hebben die spullen gelukkig niet gevonden maar wel hadden ze het zeil wat over ons bad gespannen zat helemaal stuk geprikt met hun geweer. Ze zochten naar mannen maar bij ons lagen daar gelukkig alleen aardappelen in.’

Publicatiedatum: 04/11/2011