UNESCO Werelderfgoed

In de provincie Noord-Holland liggen vier erfgoederen van wereldformaat: De Stelling van Amsterdam, Droogmakerij de Beemster en de Grachtengordel Amsterdam. Op het oog lijken deze UNESCO werelderfgoederen heel verschillend. Toch hebben zij veel gemeen. Ze vertellen het verhaal over de eeuwenlange strijd tegen het water, het ontstaan van een burgersamenleving in de Gouden Eeuw en de Hollandse traditie om ons land te ontwerpen.

Het vierde werelderfgoed, de Waddenzee, is als natuurgebied uniek in de wereld. Het is het grootste ononderbroken getijdensysteem van zandbanken en modderstromen op aarde.

Verhalen

Opgeblazen IJsselmeerdijk 1945

Op deze plek, enkele kilometers ten zuidoosten van Den Oever, herinneren twee wielen ofwel binnenmeertjes en een kronkel in de dijk aan de ramp die hier op 17 april 1945 plaatsvindt. Duizenden mensen moeten vluchten voor het water.

>

Boomstamkano

Op deze plek is in 2007 een meer dan 5.000 jaar oude boomstamkano opgegraven. Het Trechterbekervolk maakt deze prehistorische eikenhouten kano in een tijd dat het ook de hunebedden in Drenthe bouwt.

>

De Stelling van Den Oever

Door de komst van de Afsluitdijk is Noord-Holland een stuk makkelijker te bereiken voor vijanden uit het oosten. Daarom eist het Ministerie van Defensie dat er verdedigende stellingen worden gebouwd, één bij Den Oever en één bij Kornwerderzand. De kosten van deze stellingen komen echter voor rekening van Rijkswaterstaat. De stellingen bestaan uit een aantal betonkazematten, gelegen op plateaus en strekdammen.

>

Stevinsluizen bij Den Oever

De Stevinsluizen staan aan de Noord-Hollandse kant van de Afsluitdijk, vlakbij Den Oever. Samen met de Lorentzsluizen bij Kornwerderzand, aan de Friese kant van de dijk, regelen zij het waterpeil van het IJsselmeer en daarmee ook van het achterland. Het water van het IJsselmeer wordt gespuid op de Waddenzee. De Stevinsluizen zijn vernoemd naar Hendrik Stevin (1614-1668), die al in 1667 een geniaal, maar destijds technisch onuitvoerbaar plan bedenkt om de Zuiderzee af te sluiten en in te polderen. Indirect is zijn werk een inspiratiebron voor de plannen die ingenieur Cornelis Lely in 1891 presenteert en die uiteindelijk in 1918 leiden tot de ‘Wet ter Droogmaking van de Zuiderzee’.

>

Wierdijk bij de Hoelm

De kern van de dijk waar u nu op staat is een oude wierdijk. Wierdijken ontstaan als rond het jaar 1400 dijkenbouwers ertoe overgaan om de dijken te versterken met wierpakketten. Tot die tijd zijn de dijken eigenlijk niet meer dan aarden wallen, gemaakt van opgestapelde plaggen die onder het geweld van de immer beukende golven steeds weer afkalven. Om deze afslag tegen te gaan worden er pakketten gedroogd wier(zeegras) aan de zeekant voor de dijk geplaatst. Door het wier samen te persen en te drogen ontstaan keiharde wierpakketten. Deze pakketten worden door in de grond geslagen palen op hun plaats gehouden. Dit schild van wier en palen, de wierriem genoemd, beschermt de aarden dijk die er achterligt. Door het ontbreken van de karakteristieke glooiingen, zo kenmerkend voor de hedendaagse dijk, heeft de wierdijk, met zijn steile voor- en achterkant meer iets weg van een muur. Wierdijken hebben constant onderhoud nodig, het wier klinkt in en moet worden aangevuld. Door de steile vorm is de dijk kwetsbaar voor golfslag en raakt ondermijnd. Door deze ondermijning scheurt de wierriem soms over wel honderden meters los. In het begin van de 18de eeuw komt er uit een onverwachte hoek nog een nieuw probleem bij.

>

Wester- en Oosterklief op Wieringen

Het glooiende landschap van Wieringen wordt gekenmerkt door twee stuwwallen die 150.000 jaar geleden tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien, werden gevormd. Deze stuwwallen bestaan uit keileem, keien, grind, zand en leem. Westerklief ligt aan de westzijde van een stuwwal, waar door erosie van de zee in de tijd dat Wieringen nog een eiland was, een klifkust was ontstaan. Zowel Westerklief als het iets oostelijker gelegen Oosterklief danken hun naam hieraan.

>

Carlton Hotel

Dit is ongetwijfeld het bekendste gebouw van architect G.J. Rutgers in Amsterdam, het Carlon Hotel op de kop van de Vijzelstraat. Oorspronkelijk gebouwd als Grand Hotel Centraal. Nog tijdens de bouw ging de opdrachtgever failliet. Een Engelse investeerder nam het project over en gaf er de naam aan waaronder het hotel nog steeds bekend staat. Het hotel werd vlak voor de Olympische Spelen in 1928 opgeleverd. Het werd een van de onderkomens van de atleten en bezoekers van de Olympische Spelen die dat jaar in Amsterdam plaatsvonden.

n

 

>

Kaas uit Oosthuizen

Aan het Westeinde in Oosthuizen, vlakbij de Grote Kerk, staat een oud kaaspakhuis. De achterkant van het perceel grenst aan de Beemsterringvaart. Uit de Beemster kwam in de loop van de zeventiende eeuw een overvloed aan agrarische producten. Het dorp Oosthuizen profiteerde hiervan, onder meer door zich te gaan richten op de kaasverwerking. De kaas uit Oosthuizen, van het type Edammer kaas, werd een geliefd product in binnen- en buitenland.

>

Stolpverhaal uit de Beemster

Aan de Zuiderweg in de Beemster is het bont en lijkt het klimaat milder. Een mediterraan windje waait door beloverde fruitbomen. Hier heerst een aangenaam ontspannen sfeer. Zo anders dan in het jachtige elders.

>

De Bunker, Paal 20 De Koog,Texel

Mijn verhaal speelt zich af in de beginjaren vijftig van de vorige eeuw. De exploitant van een door de Duitsers in de oorlogsjaren als onderdeel van de Atlantikwall gebouwde bunker op het strand bij paal 20 De Koog en nu in gebruik genomen als zomers ’Koek en Zopie’ heette C. (Kees) van der Meulen. Hij werd door iedereen ‘Ome’ Kees genoemd, was getrouwd en woonde in de Azaleastraat in Leeuwarden. Hij had een zoon die stuurman op de grote vaart was. Deze woonde in mijn herinnering op Ameland of Schiermonnikoog, maar het kan natuurlijk ook Terschelling geweest zijn. Ome Kees was op Texel verzeild geraakt door zijn werk als kok bij de ’sneeuwklokjes’ expedities naar Frankrijk, georganiseerd door de gebroeders Piet en Nanning Kikkert van het Waalenburgerhuis en hoeve Vredestein. Nog steeds herinneren in het vroege voorjaar de witte velden in de Dennen aan deze avontuurlijke tijd. Veel later kwam ik er achter dat Nanning Kikkert de bunker van Rijkswaterstaat pachtte en Ome Kees bij hem in dienst was. Ik ontmoette hem voor het eerst in de zomervakantie van 1953. Ome Kees verbleef in een strandhuisje naast de bunker. Dit huisje huurde hij van Jan Maas, de altijd goedlachse en toen nog vrijgezelle badman van het strandverhuurbedrijf Noorderbad. Maar ook in Den Burg had hij een slaapadres, een kamer boven het bekende en in de beleving van velen beruchte Café De Karseboom van Gerard Rump aan de Vismarkt. Sinds 1948 brachten mijn moeder en ik de zomers op Texel door. Mijn moeder werkte in hotel ’Het Witte Huis’ dat sinds dat jaar door haar broer Bill Visser en zijn vrouw werd geëxploiteerd. Ik ’moest’ en ging graag mee. Een mooiere zomervakantie kon ik mij niet voorstellen. Een vakantie vol strand, zee en avontuur. In 1953 was ik elf jaar, kwam van de lagere school in mijn woonplaats Baarn en was geslaagd voor het toen nog verplichte toelatingsexamen voor de middelbare school. Tijd voor een vakantiebaantje.

>

Van Ewijcksluis

Van Ewijcksluis, sinds 2012 onderdeel van de gemeente Hollands Kroon, ligt op de rand van de Waddenzee en het Amstelmeer, in het noordelijke puntje van de Anna Paulownapolder. Het dorp, ontstaan bij de sluis tussen de Oude Veer en het toenmalige Amsteldiep, is vernoemd naar Daniel Jacob van Ewijck van Oostbroek van de Bilt. Als gouverneur van de toenmalige Koning Willem II is hij in 1846 betrokken bij de inpoldering van de Anna Paulownapolder.

>

Noordhollands Kanaal

Verzanding van de vaargeulen in de Zuiderzee bemoeilijkt aan het begin van de negentiende eeuw de scheepvaart tussen de Noordzee en de haven van Amsterdam. De aanleg van een nieuwe, snelle verbinding voor grote, diepgaande zeeschepen is noodzakelijk. In 1819 wordt begonnen met de bouw van ‘Het Groot Noord-Hollandsch Kanaal’, op kaarten uit die tijd ook wel ‘Het Groot Amsterdamsch Kanaal door Noord-Holland’ genoemd. De bedenker is Jan Blanken, een ervaren waterstaatsingenieur en technisch adviseur van de toenmalige koning Willem I.

>