UNESCO Werelderfgoed

In de provincie Noord-Holland liggen vier erfgoederen van wereldformaat: De Stelling van Amsterdam, Droogmakerij de Beemster en de Grachtengordel Amsterdam. Op het oog lijken deze UNESCO werelderfgoederen heel verschillend. Toch hebben zij veel gemeen. Ze vertellen het verhaal over de eeuwenlange strijd tegen het water, het ontstaan van een burgersamenleving in de Gouden Eeuw en de Hollandse traditie om ons land te ontwerpen.

Het vierde werelderfgoed, de Waddenzee, is als natuurgebied uniek in de wereld. Het is het grootste ononderbroken getijdensysteem van zandbanken en modderstromen op aarde.

Verhalen

Van en naar de Beemster

Buitenlandse reizigers die in de zeventiende en achttiende eeuw de Republiek bezochten roemden bijna unaniem de fantastische verbindingsmogelijkheden die de trekschuit bood. De Beemsterringvaart hoorde bij het traject van de belangrijke vijfstedentrekvaart, de "A7 van de Gouden Eeuw". De meeste Beemsterlingen kwamen echter pas uit hun isolement toen vanaf 1895 de stoomtram ging rijden.

>

De verdwenen buitenplaatsen van de Beemster

De Amsterdamse kooplieden beschouwden grondbezit in de Beemster als meer dan alleen een goede investering. Zij zagen de nieuwe droogmakerij ook als een rustoord voor in de zomermaanden. Op begaanbare afstand van de stad bouwden een reeks grotere en kleinere buitenplaatsen.

>

Beemster: Land van kaas

Kaas is een van de belangrijkste producten van de Beemster. De traditie van het kaasmaken gaat terug tot de droogmaking. Al halverwege de 'gouden' zeventiende eeuw produceerden de boeren in de polder thuis op de boerderij tienduizenden kilo's kaas per jaar. Met de komst van nieuwe productiemethoden en fabriekskaas is het ambacht van kaasmaken steeds meer een wetenschap geworden. De Beemster landbouwpionier Wouter Sluis gaf daar aan het eind van de 19de eeuw de aanzet voor.

>

Land van vee

Het boerenbedrijf in de nieuwe droogmakerij de Beemster was een groot succes. Dit kwam door de sterk toenemende vraag naar landbouwproducten in de eerste helft van de zeventiende eeuw. Door de snelle groei van de steden, met name van Amsterdam, en de succesvolle internationale handel liep de export van zuivelproducten en vlees voortvarend. De kaas uit de Beemster werd naar heel Europa verscheept. De VOC was de grootste afnemer van gepekeld vlees.

>

De Inrichting van de Beemster: Hollands polderparadijs

De bestuurders van de Beemster dachten heel zorgvuldig na over de ruimtelijke ordening van de droogmaking. In samenspraak met enkele landmeters ontwierpen zij een 'masterplan'. Weinig werd aan het toeval overgelaten.

>

De Waddenzee

De Waddenzee: een woest en veranderlijk getijdengebied langs de Noordzeekusten van Nederland, Duitsland en Denemarken. Het Nederlandse deel van het Wad, 2500 kilometer beschermd gebied, begint bij het Marsdiep (Den Helder) en eindigt bij de Dollard in Groningen. Geen dag is hetzelfde, het wad is al eeuwenlang constant in beweging. Zo'n groot getijdengebied in een gematigd klimaat en met een enorme variatie aan planten en dieren, vind je nergens anders in de wereld.

>

Droogmakerij de Beemster

"Men danst, men banketteert in 's Koopmans rijke buurt. Hier lacht de goude tijt, in lieve lustprieelen"
[Joost van den Vondel, Lofdicht op de Beemster voor Charles Looten ]

In de zomer van 1669 maakte Cosimo de Medici, de Groothertog van Toscane, een zomers ritje door de Beemster. Uit zijn reisverslag weten we dat Cosimo de droogmakerij het mooiste en heerlijkste vond van wat hij in Holland gezien had. Niet alleen de groothertog was onder de indruk van dit door mensen gemaakte landschap. De groep rijke kooplieden die achter de droogmaking van het Beemstermeer zat, beschouwde het symmetrische landschap als het ideale decor voor hun zeventiende-eeuwse buitenplaatsen. Zij gebruikten de Beemster als hun zomers lusthof, om in de warme maanden te ontsnappen aan de stinkende stad.

>

Herengracht 114, De Zon/De Wildeman

Dit vrij smalle Amsterdamse grachtenhuis is slechts twee raamassen breed, maar de tuin loopt achter het tuinloze buurpand op nummer 112 door. De 17de-eeuwse bouwheer was Jan Gerritsz Verlorenarbeyt. In de 18de eeuw werd het 17de-eeuwse grachtenhuis ingrijpend verbouwd en verhoogd, in opdracht van de toenmalige eigenaar en bewoner Floris Kroll.

>

Herengracht 150

Oorspronkelijk vormden 150 en 152 samen met Herengracht 154 een trapgevel-drieling uit 1617, de oorspronkelijke bebouwing op deze plaats na de stadsuitleg van 1613. Herengracht 152 is nog het meest intact: de voorgevel doet ondanks de latere verbouwingen nog steeds denken aan de renaissance-trapgevel uit 1617. De gevelsteen met de stralende zon laat de huisnaam zien: 'De Son'.

>

Herengracht 361, De Sonnenberg

Herengracht 361 en 363 zijn twee 17de-eeuwse huisjes. Dit is al te zien aan de geringe hoogte van de panden en aan de houten onderpuien met puibalk. Het huis van Jan Gerritsz Sonnenbergh heeft boven de puibalk de gevelsteen Sonnenberg met een zon boven een berg.

>

Herengracht 402

In 1665 werden vijf woonhuizen naast elkaar gebouwd met dezelfde halsgevels in de stijl van het Hollands classicisme, van links naar rechts de nummers 408, 406, 404, 402 en 400. Het ontwerp wordt toegeschreven aan Justus Vingboons, de broer van de bekendere Philips Vingboons.

>