Tentoonstelling ‘Schrijvende onderwijzers’ in het schooltje van Dik Trom

Na zes weken grote vakantie is het vandaag zover: de basisscholen in Noord-Nederland zijn weer open! Gezien de grote klassen is het lastig voor te stellen dat vroeger alle dorpskinderen les kregen in één klaslokaal. In het oude schooltje in Oosthuizen gaf kinderboekenschrijver Johan Kieviet les. Hier schreef hij zijn eerste boek over Dik Trom. De tentoonstelling ‘Schrijvende onderwijzers' in het schooltje van Dik Trom is nog tot en met 25 oktober te bezoeken.

Aan het begin van de 19e eeuw gaan steeds meer kinderen naar school, niet alleen uit rijkere gezinnen, maar ook uit armere gezinnen. Leren lezen gebeurt dan nog op een heel andere manier dan tegenwoordig. Vroeger leerden kinderen eerst het hele alfabet opzeggen en schrijven voordat ze na bijna twee jaar een klein beetje konden lezen. Begin 20e eeuw leren kinderen binnen het jaar lezen met het bekende leesplankje aap-noot-mies of zijn varianten. In deze tijd lezen de meeste kinderen al boekjes na de kerstvakantie.

Boekjes moeten wel ‘leuk’ zijn, kinderen tot lezen aanzetten. In 1596 schreef H. Jacobi al:

‘Want al dat gheneuchlijck ende vermakelijck is om te lesen ende om te hooren, daar heeft een Mensche lust toe om te weten ende te leeren, ende dat onthout hij te beter.’

Niet dat de boekjes uit die tijd voor kinderen vermakelijk waren om te lezen. Ze sloten niet aan op de belevingswereld van de kinderen. Ze waren vaak veel meer voor volwassenen geschreven. En ook direct met ‘ingewikkelde’ zinnen en voor kinderen moeilijke woorden.

Het onderwijs verandert in de 19e eeuw steeds meer. Vanaf 1810 wordt het individuele onderwijs afgeschaft en gaat men in klassen les geven. In 1857 worden eisen gesteld aan de opleiding tot onderwijzer, later worden er eisen gesteld aan het maximum aantal leerlingen per klas, moet er een onderwijsplan worden geschreven, en komt er een leerplicht. Veel onderwijzers zijn dan op zoek naar methodes en boekjes om kinderen beter en sneller te leren lezen. Als je (school)boekjes uit de 19e eeuw in handen hebt staat er regelmatig bij dat de schrijver onderwijzer of hoofd van een school was.

Brave kinderen

Leesboekjes zijn in die tijd erg moraliserend. Kinderen moeten goed naar hun ouders luisteren, zijn brave wezens en halen geen kattenkwaad uit. Het was belangrijker wat er werd gelezen dan dat ze leerden lezen. In schoolboekjes stond vooral hoe je je moest gedragen. Het ging in de eerste plaats niet om de bevordering van de leesvaardigheid, maar om de opvoeding van kinderen tot deugdzame burgers.

Verandering

Tegen het eind van de 19e eeuw zijn de meeste kinderboeken nog steeds zo geschreven. Kinderen vinden het niet leuk om zulke zoetsappige verhaaltjes te lezen. Joh. Kieviet is een van de eerste schrijvers die inziet dat het ook anders kan, hoewel zijn eerste twee boeken – De twee neven en Frans van Dorentil – ook nog wel moraliserend en opvoedend zijn. Maar als in 1891 Uit het leven van Dik Trom uitkomt, is dat een totaal ander boek dan gebruikelijk. Geen braaf jongetje: Dik is onbezonnen, haalt kattenkwaad uit en krijgt meestal geen straf, kortom het is een echt kind. Toch wordt ook dit boek in het begin slecht verkocht. Pas als er leuke aanstekelijke plaatjes bij komen van Johan Braakensiek (1858-1940) gaat het boek steeds beter verkopen.

Voorlezen en opschrijven

Veel onderwijzers lezen hun leerlingen voor. Maar er zijn er ook die eigen verhalen vertellen, elke keer een stukje. Of iets schrijven en het dan aan de kinderen voorlezen om te kijken hoe die reageren. Dat laatste deed Kieviet, maar we weten ook dat Louwerse, Van Abkoude, en Been de kinderen voorlazen uit eigen werk. Ook nu gebeurt dat nog steeds. Van Marion van de Coolwijk is bekend dat ze in de klas een verhaal vertelde dat ze de volgende dagen vervolgde. De kinderen wilden daarna het hele verhaal lezen en zo is ze gaan schrijven.

Moraliseren is van alle tijden

Kieviet en Van Abkoude zijn vaak verguisd, omdat ze kinderen kattenkwaad lieten uithalen en kinderen geen goed voorbeeld gaven. Ze kropen als het ware in de huid van het kind, lieten de kinderen kind zijn. Kinderen vonden de boeken juist daardoor leuk. Ook W.G. van de Hulst sr. vond dat het kind levensecht moest zijn. Van de Hulst schreef vanuit een christelijk geloof en zijn boeken zijn behoorlijk moraliserend. Tegenwoordig speelt dat moraliserende nog steeds. Aleid Truijens vraagt zich dit jaar af in een column in De Volkskrant of je alleen maar ‘het goede’ moet inlepelen. Dit naar aanleiding van een liedje voor Kinderen voor kinderen, waarin kinderen heerlijk pizza, patat en ijsjes willen eten en dat in een tijd van (kinder)obesitas.

Het speelt dus nog steeds, de vraag of je kinderen in boeken of liedjes iets kunt laten doen dat niet goed of gezond is. Anne de Vries (1944-2018), docent jeugdliteratuur, vindt dat kinderboeken in ieder geval aan één eis moeten voldoen: ze moeten aansluiten bij de belangstelling van de lezer, bij zijn literaire eisen en zijn emotionele en cognitieve ontwikkeling. En zo kun je misschien wel zeggen dat kinderboeken door de eeuwen heen de geest van de tijd uitstralen. En dat sommige schrijvers die tijd een beetje vooruit waren. En dat voor elk kind geldt:

’t Is een bijzonder kind, en dat is ie.

Bron: Dik Trom kinderboekenmuseum

Zie voor meer informatie over het museum het artikel ‘Welkom in het land van Dik Trom’.